JUNI 2025 : IN ALLE MEDISCHE STATEN TEGEN DE STAAT
Van oppositie en [vooral] meerderheidspartijen mag men eensgezinde redelijkheid – versus goedkoop scoren – verwachten als een minister manifest het algemeen belang en dat van alle patiënten dient.
Politieke moed mag men parlementair beloond krijgen.
Het gaat hier dan ook over gezondheidszorg en beheersbare financiën [van particulier tot natie].
Inzet van een Debat
De doorzichtige slogan ‘staatsgeneeskunde’ zou enkel de te verwachten kramp mogen zijn van de groep zorgverstrekkers die onze ooit sterk ethische geneeskunde [en aanverwante beroepen] van binnenuit uithollen. De Amerikaanse leest wenst men geen enkele Europeaan toe. Toch is dit in opgang. En daarmee de arts – tot en met sommige huisartsen, de laatste burcht – die zich eigen tarieven veroorlooft. Met geldgewin als verzwegen argument.
De deconventionering woekert. Net zo de zelfbepaling. De patiëntenstops zetten het achterpoortje wagenwijd open voor een selectieve geneeskunde en een evidente overload voor de spoed [waar ondertussen wachttijden van vijf uur en meer geen uitzondering meer zijn]. Vier dagen in wacht voor een huisarts. Vijf tot acht maanden in wacht voor een raadpleging in een ziekenhuis. Dit mogen we geen verbeterde zorg noemen. Ook de Orde van Artsen – een beetje als de Verenigde Naties tegen alle schendingen van het ogenblik – blijkt hiertegen geen deontologisch verhaal meer te hebben.
TopD’s
De eerder brutale melding op websites van ziekenhuizen ‘deze arts is niet geconventioneerd’ is haast een positieve zelfkwalificatie, een statussymbool geworden. ‘Ik ben zo Top dat ik me dit kan veroorloven.’ Geconventioneerde arts’ wordt dan synoniem van braafheid of tegendraadsheid. De stap naar de gewiekste combinatie ‘toepassen van de conventietarieven binnen het ziekenhuis en totale deconventionering in de glimmende, juridisch-financieel goed onderbouwde, specialistische privé-ondernemingen die men [al of niet] in de buurt van de ziekenhuizen opricht’ is volop aan de gang. Wie de wachtlijst in het ziekenhuis wil vermijden kan veel sneller een orthopedische of parodontologische of weetikveelwelke behandeling krijgen. Daartegenover staat wel, wat heet, een prijsje. Een zorg minder en meer voor wie zich dit prijsje zichtbaar graag veroorlooft.
Weerwerk
In een ernstig ethisch parlementair debat vervangt men ‘staatsgeneeskunde’ door opkomen voor een sociale zekerheid en een medische zorg die ons vertrouwd en dierbaar zijn. Geneeskunde [inclusief paradontologen (!), tandartsen, paramedici, verpleegkundigen e.a.] beleeft een scharniermoment. Van medisch model naar verdienmodel. Op meerdere terreinen van de zorg is een weinig verkwikkende mentaliteitswijziging aan de gang. De maatregelen FVDB komen nog net niet helemaal te laat.
Bij de fusie tussen het Gentse St Lucas [haast niemand geconventioneerd] en Jan Palfijn [alle artsen-specialisten geconventioneerd] heb ik de directie en de voorzitter van Jan Palfijn erop aangesproken hoe zij er zullen in slagen de conventie te redden. Welk structureel weerwerk kan men bieden tegen een assertief neoliberaal klimaat?
Afdrachten
Voor de ziekenhuisfinanciering is beslist nog een hele weg af te leggen. Veel heeft een geschiedenis van lobbyisten en kortetermijnvisie. Voorstanders van een klare – wellicht onhaalbare – lijn zullen de ziekenhuizen voor het volle pond subsidiëren, inclusief bijzonder dure gespecialiseerde toestellen [nog steeds goedkoper dan F35’s]. Ook al zouden de artsen als werknemer dan geen kosten moeten betalen en als de meeste Belgen een belastbaar nettoloon ontvangen, zullen de meeste specialisten wellicht passen voor deze constructie. Het vrije beroep, niet.
Maar laten we semantisch wel wezen. ‘Afdracht’ is wat politici horen te doen voor hun partij [tot ze dat met een holle uitleg Europees even liever niet langer opbrengen].
In ziekenhuizen gaat het om een terecht, al of niet forfaitair aanrekenen van kosten voor huur lokalen, EGW, gebruik toestellen en medisch materiaal. Niet ideaal. Tot men een betere constructie bedenkt. Wel boekhoudkundig transparant aan de zijde van de directie.
Aan artsenzijde gaat het om niet meer dan een beroepskost die men netjes fiscaal kan inbrengen. De arts kan dit subjectief wel zo beleven – een lepe legitimatie of voorstelling voor het aanrekenen van een ‘compenserend’ supplement – maar op geen enkel ogenblik is in deze operatie sprake van ‘afromen.’
Waar stelt zich het probleem?
Een Wereld [of Regering] van Verschil
In weerloze geesten als de mijne charmeert de huidige regeringscoalitie in haar gemeenschappelijke durf om – overheen de sterkst mogelijke tegenstellingen – op zijn minst de aberraties aan zowel verworven als verzwegen privileges – die ondertussen in interne kring het statuut ‘recht’ gekregen heeft – voorwerp te maken van publiek debat. Op ongehoorde staatspensioenen en oncontroleerbare ereloonsupplementen mag een verantwoordelijke overheid best toezien. Bij voorkeur preventief. Neenneen, o.m. staatsschuld, meerwaardebelasting op generatiekapitaal, loonkloof en ziekmakend opbod voor de wapenlobby zijn daarmee allerminst uit het burgerlijke oog verloren, maar een regering mág érgens beginnen.
Democratie
Wie zich het mandaat ‘volksvertegenwoordiger’ aangemeten krijgt, mag weten dat een grote zwijgende meerderheid aan redelijke burgers deze maatregelen voor de algemene gezondheidszorg steunt. Ze getuigen van visie en beleid. Het is eens iets anders dan subsidies voor frigo’s en brooddozen. In visie en beleid hoeft men geen vrienden te maken, nog minder de vrienden te sparen.
Onze vertegenwoordigers zouden de democratie dienen door te ondersteunen wat behoorlijk beargumenteerd ondersteuning verdient. Dat geldt eveneens voor de verantwoordelijken van de artsensyndicaten, waarvan ik verwacht dat ze de biefstukkenmentaliteit kunnen overstijgen.
Domus Medica – een belangenorganisatie, geen syndicaat – toont zich constructief. Het siert hen. Domus Medica vertegenwoordigt de huisartsen, waarvan het grote merendeel bewust geconventioneerd blijft. Dit mag niet verloren gaan. De eer van het beroep is ermee gemoeid.
Activisme
Als het niet volgens de ordentelijke democratische traditie in de parlementen een oplossing krijgt, moeten we ons in casu als burgers-patiënten behelpen met een oproep aan alle medepatiënten en aan alle geconventioneerde artsen om in een grote en luidruchtige bocht om de gedeconventioneerde artsen te stappen. Tot die node inzien dat ze, hun beroep en deontologie onwaardig, enkel zichzelf dienen. Wie voor de vrije markt kiest mag de mechanismen van die vrije markt ondergaan. Dat zijn bepaald harde wetten.
Haro Waden – Willi Huyghe
_________________________________________________________________
MARCH 2025 – NATIONAL ANTHEMS FOR PEACE
During the summer of 2024, we witnessed a number of sporting events that were as large-scale as they were fascinating and excellently organised. The Olympic Games, the European Football Championship, the Tour de France.
With a rich display of flags and national hymns. A fanfare of tradition and national pride to stir the emotions, set to music in a swollen soundscape of slow wind instruments. These are the expected ingredients, and they have their place.
France, with its rich tradition of enlightenment thinking, was the host country and the setting for the Olympic symbolism of international sisterhood and brotherhood.
By allowing the sentence ‘aux armes, citoyens’ to penetrate my mind with sharpened awareness, I opened a Pandora’s box in myself. Too often I had hummed along on the recognition of the melody without properly considering what message I had thus internalised with the words.
Would it dawn on athletes on their scaffold as winners, or to players on a soccer field, that when they sing praises to their country, they may be expressing a desire to take out, i.e. kill, their sporting opponent? With the hand on their heart. If these top athletes don’t realize it, what about the masses of people in stadiums and squares?
THE NEGATIVE SIDE
An anachronism
I can live with a national anthem that is no longer of this time. It is the least of all nationalistic evils. I much prefer old-fashioned romanticism rather than modernist, smooth nonsense. Our Dutch neighbors and our own little Belgium have exhibited similar grandiloquence (Wiertz-worthy) in our bombastic lyrics.
One must wonder what meaning is still evoked by phrases such as ‘holy land of the fathers’ – ‘Our soul and our heart are devoted to you’ – ‘The blood of our veins [orig: ‘adren’] in young and old. And what about the solemn Wilhelmus of the Netherlands? ‘I am, of German blood, faithful to the fatherland until death. A Prince of Orange am I, quite fearless, I have always honored the King of Spain.’ – ‘My God, please preserve thy faithful servant, that they may not surprise me in their wicked courage, and wash their hands in my innocent blood.’ And so on and so forth.
Twenty years ago, the honored King of Spain would have been called Juan Carlos. One can think of better persons to merit this honor ‘always.’
Because the Belgian-Dutch songs clearly do not stand the test of our time, let these examples suffice to make my point. However, our low countries are certainly not the only ones whose anthems groan under the baroque phrases from an outdated history.
Incomprehensible
Many songs are full of references to national history and local historical figures. Often these events or characters belong to a distant past.
Just a quick selection of notables and heroes who owe their celebrity to the hyper-national songbook: Mátyás, Ferruccio, Bendegúz. Marshall Wade, Árpád.
It is questionable whether these names still evoke anything in their own country.
The same applies to place names, references, saints, Gods and events: Sindh, Erinn, Gujarat, Bayamo, Maratha, Dravid, Orissa, Vindyas, Yamuna, Ballila, Legnano, Baekdu Mountains, Tisza, the Cuman Fields, Toka.
We, the people, know more and more and can look up a lot. However, people may relate more easily with the anthems of foreign nations if they do not have to consult Wikipedia.
Superiority
The preceding negative aspects are rather innocent. A misconception. Language.
From here on, it goes downhill from mere nationalism towards collective culpable neglect. It can be no coincidence that in the poems of praise the number of [double] exclamation marks and affirmative repetitions of core ideas is innumerable.
‘Self-praise stinks’, as the proverb goes. This is worth considering when compelling fellow countrymen to a national sing-along which has a bad breath.
The most frightening wordings are literally transgressive in nature. They express the nation’s own territorial demarcation and expansion as well as making geopolitical claims. This goes from right out unreasonable claims to a number of hollow legitimations which can be endlessly extended. History, law, the economy, threats, protection of linguistic minorities. And so on.
So-called great leaders – in their smallness – make a big deal about their popular motives but remain silent about their own ambitions for individual glory, being part of the great history book and raw power hunger. Whoever wants war will always find a reason to sacrifice millions of nameless citizens.
Whoever has ‘destruction’ written into the national anthem, will not rest or die until his or her mausoleum is coldly surrounded by mass graves of innocent anonymous dead.
‘Africa, let her glory reach unto the heavens’ [South Africa] – ‘Let the laurels be forever’ [Argentina] -‘Hasten to glory and supremacy’ [Saudi Arabia] – ‘Serbian glory, new splendor’ [Serbia] – ‘The much-celebrated Austria’ [Austria] – ‘In full glory reflected, now shines in the stream: Tis the star-spangled banner’ [US] – ‘Deutschland über alles, über alles in der Welt’ [Germany] – ‘Be glorious, our country! […]. From the southern seas to the polar regions.’ [Russia] – ‘A people […] whose fame shall go round’ [Australia] – ‘May the nation, the country and the state shine in eternal glory’ – ‘Let us sing your splendor and proclaim your high deeds. [Rwanda].
Enemy image
The illustrated timelines that we were given as homework on meters-long strips of paper from primary school onwards made it clear to the youthful version of myself that there was no line to be drawn in national histories.
Peoples were confronted with invasions, occupation, conquest, displacement, destruction, targeted or arbitrary power decisions, revolution, repression and – temporary or not – liberation. Not to mention the hellish situations in the news of the day, Nagorno Karabakh, Hong Kong, Aleppo, Myanmar and Haiti. In their extreme limitations these examples serve to remind us that humanity unfortunately does not become wiser.
In this light, a foreign country quickly takes on the evil role of aggressor, repeatedly identified by name. National anthems are often snapshots, linked to an experience of liberation, improvement of fate, renewal. A rediscovery of a presumed or imagined identity, a common goal.
The international community is at its strongest in forgetting. Ten years after what are called the facts, the thinned-out nature, howling with pleasure, will have spread over all the short-lived tragic human histories and their collective killing machines.
‘The arrows of the plundering Mongols you brought upon us now and the yoke of slavery of the Turks’ [Hungary] – ‘Contre nous de la tyrranie, l’étendard sanglant est levé’ – ‘l’antique esclavage’ – ‘vils despotes’ – ‘tremblez tyrans’ [France] – ‘for centuries we were trampled and mocked’ – ‘the sword of the mercenaries’ – ‘the Austrian eagle has already lost its feathers. The blood of Italy and that of the Poles he has drunk with the Cossacks’ [Italy] – ‘the foe’s haughty host’ – ‘their foul footsteps’ pollution’ [US] ‘our enemies will disappear like the dew in the sun’ [Ukraine] – ‘scatter his enemies and make them fall, confound their politics, frustrate their knavish tricks’ – ‘grant that Marshall Wade, like a torrent rush rebellious Scots crush [GBr – author’s abbreviations] –
Military logic
In several songs we see rows of brave soldiers marching past in columns, towards an invisible opponent. They have land and nation to defend. They represent the whole population of their country, or at least its strongest contingent. We imagine trenches, sulphur and shouting. Concepts such as ‘battalion’ and ‘cohort’ colour the scene completely.
‘Brave the enemy’s gunfire, forward! Forward! Forward! March!’ [China] – ‘Mexicans, at the call of war, be ready to seize sword and rein. Let the earth tremble to its very core at the sound of a roaring cannon. If a foreign foe dares to defile your soil with his footsteps, remember, oh beloved Fatherland, that Heaven has given you a soldier in every son.’ – ‘O! Soldiers, you are the vanguard of the people.’ [Mexico] – ‘Soldiers we are, our lives Ireland’s. For Erin’s cause, pain or lash by cannon or gun. We sing the soldier’s song.’ [Ireland] – ‘When the days of battle come, lead him to victory.’ – ‘Run to war, men of Bayamo, for the homeland looks upon you with pride. […] Hear the trumpets call: Run, heroes, to war. Brave Cubans, let us fight, and the war cries resound. […] And when the trumpet sounds: in the attack we will fight side by side and win an honorable victory.’ [Cuba] – Where the foe’s haughty host?’ [US – repet.] – ‘my horsemen were seen galloping very bravely through that field.’ [Dutch] – ‘Close ranks into a cohort.’ [Italy].
God on our side
In many hymns, one God from the many-colored pantheon assumes the protection of the entire nation. This image provides an internal point of rest, or light, as well as a demarcation against differently oriented religions. A number of countries address God directly, making their hymn a prayer, a request. The Wilhelmus [NED] is a personal prayer of the prince in fifteen [an exclamation mark is justified here] couplets.
As long as we, humans, proclaim that one God is more divine than another, we perpetuate the struggle for the highest good and allow the continued proliferation of holy [civil] wars, medieval crusades, caliphates and religious republics.
‘Unity and love reveal themselves to the people, the path of the Lord. We swear to free the soil of our nation, united by God. Who can overcome us?’ [Italy] – ‘Oh Fatherland […] in heaven your eternal future is written by the finger of God.’ [Mexico] – ‘This flag of the crescent and the star […] symbol of the protection of the Almighty.’ – ‘Our beautiful and dear country […]. Priceless heritage, which God protects for you.’ [Rwanda* –
‘Bless, Lord God, bless Africa. Let his glory reach the heavens. Hear our prayers. Bless us, Lord, bless your children. God, we ask you, protect our people. Intervene and end all strife. Protect us, protect our people.’ [South Africa] – ‘Glorify the Creator of the heavens.’ [Saudi Arabia] ‘Be glorious, our country […], protected by God’ – ‘bless, Lord God, bless Africa, let her glory reach the heavens. Hear our prayers. Bless us, bless your children. God, we ask you, protect our people’ –
‘Chile with your blue sky, pure winds blowing over you and your field decorated with flowers is a beautiful copy of Eden. Majestic snow-capped mountains given as a gift by God.’ – ‘God, bless the Hungarians with good mood and abundance. Reach out your arm of protection to them as they fight the enemy.’ – ‘God of justice, you who have saved us from destruction to this day, hear our voices even now and be our redeemer ever. Guide and protect with a mighty hand the ship of Serbian destiny. God, save, oh God, preserve the Serbian land and the Serbian race!’ [Serbia] – ‘And this is our motto: “In God is our trust” and the star-spangled banner shall wave triumphantly over the land of the free and the home of the brave!’ [US].
In Great Britain then, the king favored by God seems like God on earth. With the British people as a secondary backdrop.
‘God save our gracious King. Long live our noble King […]. O Lord, our God, arise. Scatter his enemies and make them fall. Confound their politics, frustrate their knavish tricks. On thee our hopes we fix: God save us all.’
In this way, all British citizens seem to grant the royal family the greatest possible mandate. The republic does not occur to them.
Offering young life
God and country. War cemeteries all over the world provide a more powerful honor salute than anonymous mass graves.
For both, the sacred silence of death and destruction applies. Of sixteen-year-olds who have been driven to their deaths.
What implicit message do songs convey that justify cannon fodder and senseless suffering, give it meaning, grant it a higher significance? Songs that above all do not oppose such a horrible fate.
‘Thousands of souls were sacrificed for you. You became a battlefield. Soldiers gave their lives for you. They become heroes.’ [Azerbaijan] – ‘Our youth will not tire, until your independence. Or they will die.’ [Iraq] – ‘Quick to war, men of Bayamo, because the homeland looks at you with pride. You have no fear of a glorious death, for to die for the country is to live.’ [Cuba] – ‘Then my princely heart longs: that is, that I may die with honor in that field, to gain an eternal kingdom as a faithful hero.’ [Netherlands] – ‘Close ranks into a cohort, we are prepared for death.’ [Italy] – ‘Brave the enemy’s gunfire, forward.’ [China] – ‘Fatherland. Your sons swear to breathe out their breath on your altar when the bugle with its warlike tone calls them to fight worthily […]. For them a tomb of honour.’ – ‘Oh, Cherished land of brave children, we are ready to give our lives for you, we are ready to give our blood to you […] [Mexico].
Domination and colonisation
Annexation, subjugation, exploitation, tyranny and domination have been with us for generations. The current economic exploitation, often channeled through shamelessly enriching rulers, is the more vile, because it is less visible.
Nowadays it is disguised as voluntary and constructive economic cooperation. As if it were about the sale of a football team, economically weaker nations are granted long-term loans that those countries cannot possibly repay.
In hymns, throwing off the yoke is a recurring theme. Smaller nations convince themselves, at the risk of overestimating their strength, that they are doomed in advance in the event of a new conflict. Those who call their own numerically clearly weaker people – their army, to begin with – invincible raise false hopes and are looking for trouble.
‘You overcome the colonial-imperialist yoke that has devastated Africa entirely’ [Rwanda] – ‘Stand up, people who refuse to be slaves’ – ‘brave the enemy’s gunfire’ [China] – ‘For centuries we have been trampled and mocked’ [Italy] – ‘We will drink from death and never be to our enemies like slaves. We do not want an eternal humiliation nor a miserable life’ [Iraq] – ‘The yoke of slavery of the Turks.’ [Hungary] –
Cruelty
Parents today are rightly very concerned about the disastrous influence of increasing violence in visual culture. These same parents would do well to check the texts of their national hymns for horror before singing them. The Marseillaise provides us with a representative sample in the very first stanza. ‘Entendez-vous dans les campagnes, mugir ces féroces? Ils viennent jusque dans vos bras égorger vos fils.’
Indeed: throats.
‘The refugee hid himself […], he looked everywhere but found nothing. […], pain and despair beside him, pools of blood under his feet, above him a sea of fire [Hungary] – ‘We will drink of death’ [Iraq].
The brutal consequence of blood and soil. Unfortunately also the sum total; the reckoning.
A Man’s Man’s World
‘But it wouldn’t be nothing, nothing without a woman or a girl.’ And yet the woman in the hymns – if she appears at all – is given a highly stereotypical role. There is a constant focus on fathers, sons and brotherhood. The very title ‘fatherland’ is significant.
In Rwanda, the motherland is sung, albeit as ‘the motherly bosom of us all.’
‘German women, German loyalty, German wine and German song must preserve their old beautiful sound in the world, inspire us to noble deeds, our whole lives long.’ [Germany] – ‘Lord make the nations see that men should be brothers and form one family, the wide world over.’ [GB].
In the German national anthem, we find the Wein, Weib und Gesang all too conspicuously. In the English version, there is not even a mention of the woman.
THE PLUS SIDE
Nature
Several hymns praise the natural beauty of their country. Justifiably, being a universal and unifying theme. Also an excellent basis for an ode of jubilation that does no harm to anyone and cares about the future. Nature is omnivalent, shows itself in the greatest possible variety and needs protection worldwide if the gluttonous Mankind is not to claim all the space.
‘Where the waves of the Tisza and the Danube roar […]. For our sake on the fields of the Côme you made the ears of corn sway. The vines of Tokaj you made drip with nectar.’ [Hungary] – ‘Land of mountains, land by the river, land of fields.’ [Austria] – ‘Water bubbles through the meadows, pine forests rustle over the rocks, in the garden the spring blossom shines, sight of the earthly paradise.’ [Czech Republic] – ‘From the blue of our sky, from the depths of our sea, over our eternal mountains, where the rocks answer, the call to come together sounds.’ [South Africa] – ‘Chile with your blue sky, pure winds that blow over you and your field decorated with flowers, is a beautiful copy of eden. Majestic snow-capped mountains that are given by God as a gift and the sea that cleanses you, that will give you a favorable future.’ [Chile].
Poetry
Amidst much language violence one can also find a large number of sentences or images that have been written down with a particularly subtle pen and that perhaps strongly express the experience of a people.
‘You lie in the middle of the continent, like a strong heart.’ [Austria] – ‘The sea that cleanses you.’ [Chile] – ‘Until stone rocks are covered with moss.’ [Japan] – ‘Fountain of freedom, source of light. Where sovereignty and security meet.’ [Morocco].
Good examples
The very limited selection that follows is my personal selection and inevitably subjective in terms of content. ‘What appeals to me as a citizen of the country and a citizen of the world at the same time?’ – ‘What moves me?’ were the simple questions I asked myself. In that assessment I recognize in myself the search for a higher value, which for me does not necessarily translate into a divine power but rather in what connects people and nations, what they have in common. I strongly suspect that the texts that have aroused my positive attention often also contain deep pain [Japan, for example]. The sublimation of this is then worthy sublimation without denial. Time and again the texts emphasize in their generality or in the fine strokes of their language brush the beauty and kindness in people and their environment.
Sometimes I deliberately do not include the entire text. The deleted stanzas then form part of the arguments in my negative balance. The stanzas that I have retained can serve as a good example for a possible continuation in the text. Sometimes a text or part of a text pops up that corrects the previously negative image of a country for me – whether or not it was suggested by the media -.
As in much liberal art and liberal culture, the recurring theme is ‘we are people’ – ‘in our differences we are people with common values.’
Inevitably, the list will contain repetitions with previous chapters.
‘Until stones become rocks, covered with moss.’ [Japan – repet.] – ‘From the blue of our sky, from the depths of our sea, over our eternal mountains, where the rocks answer, the call to come together sounds.’ [South Africa] – ‘Fountain of freedom, source of light, where sovereignty and security meet.’ [Morocco] – ‘My fatherland. Majesty and beauty, sublimity and splendor are in your hills. Life and salvation, joy and hope are in your air. When shall I see you? Safe and prosperous, […] shall I see you in your eminence, reaching the stars?’ [Iraq] – ‘Land of mountains, land by the river, land of fields, land of cathedrals, land of hammers with a bright future. Home of wonderful daughters and sons, people gifted for the beautiful. […] You lie in the middle of the continent like a strong heart […] See us walking freely and faithfully, happy to work and full of hope.’ [Austria] ‘Chile with your blue sky, pure winds blowing over you and your field decorated with flowers is a beautiful copy of Eden. Majestic snow-capped mountains given by God as a gift and the sea that cleanses you, that will give you a favorable future.’ [Chile] – ‘Where is my home? […] Water bubbles through the meadows, pine forests rustle over the rocks, in the garden the spring blossom shines. View of the earthly paradise. And that is that beautiful country, Czech land, my home.’ [Czech Republic] – ‘Respect for citizenship is great in our Ethiopia. National pride is seen, shining from one side to the other, for peace, for justice, for the freedom of peoples. In equality and love we stand together. Strong on the foundations […]. We are people who live by working. Wonderful is the tradition, virgin of proud heritage, mother of natural values, mother of courageous people. We will protect you – we have a task. Our Ethiopia, live and let us be proud of you.’ [Ethiopia] – Let the morning shine on the silver and gold of this land. This world with natural beauty. This is my beautiful homeland. The glory of wise people, raised in a magnificent culture with a five-millennia-long history. Let us dedicate our bodies and minds to encouraging this Korea forever. […] We nestle in the spirit of work, the strong will, connected with honesty […]. This country was created by the will of the people.’ [North Korea] – – ‘Saba, you rise from the ocean, with mountains and slopes so steep. How can we reach you to greet you, island of the sea, rough and deep? Come, let us look at the rowers with their faces so peaceful and calm. Guide us now safely through the surf, bring us to shore without harm. […] Will memories of your beauty remain, should we wander far from you? Your ways all climb steeply among the green hills. Until the very last bend. […] The scene is a picturesque valley with flowers so fragrant and fine. This landscape of enchantment imprints beauty on the mind. […] The mist and the sea breeze mingle and freshen the air to make of you, Saba, so precious, a healthy and prosperous atmosphere. […] Kind and lovely, though small.’ [Saba].
THE SILENT [MAY BE WRONG]
Without Words
Spain has made the understandable choice to stick to a melody. This is again rooted in the painful civil war that affected the population and the oppressive Franco regime that still slumbers to this day.
The few other countries that have spared themselves lyrics evoke similar inflammability or impasse: Bosnia, Herzegovina, Kosovo.
For the equally picturesque as exemplarily peaceful San Marino [communists, socialists and Christian democrats find common ground through policy in the interest of their country] I see no reason why they should not search for a text in unison.
In my humble opinion silence [in Spain much has to be kept silent] is not a solution. Carefully chosen and shared words can connect and offer strength.
PROVISIONAL BALANCE
Today we live in a different Zeitgeist than a hundred or fifty years ago. Although it is established that nationalistic tendencies are increasing, these developments lag behind the multicultural and internationalised world in which we actually live.
The ‘multicolouredness’ within national borders has made the bond between nation and citizen – except among hardliners – much less sharp. The fact that many – whether or not later nationalised – sportsmen do not sing the national anthem, do not know the words or even behave disapprovingly, could indicate this.
It was not taught to them as children. It does not appeal to them – often quite visibly – [sometimes spectators have to look at a negative, haughty, rather egocentric rejection].
With this observation I have certainly not noted that it would be better – in view of our uncertain future – to deny the meaning of national recognition, identity and shared history. Connecting characteristics, a national roof over one’s head, a sense of well-being within borders, can be of valuable significance.
Displacement is not a good thing for anyone.
A possible humane transgression is located at the sore spot where nationalism and patriotism become synonymous with national to regional exclusion and discrimination.
As indicated in part one of my argument, too many anthems in 2024 are struggling with a serious image problem.
For example, the concept of ‘freedom’, which is so crucial to our democracies, is often synonymous with a liberation or independence that has been fought for, regained or is still to be fought for.
In too many songs we find the atmosphere of fluttering banners, grandeur, flags, trumpets, spears, victory. The fact that the Serbian national anthem, for example, extolls the concept of ‘race’, introduces a difficult to define distinction between own and not own, which can evoke particularly bad memories.
Just like the environmental movements, all peace movements are under heavy pressure today. People are even more negative about it than fifty years ago. The world looks quite confused. The idea of war finds fertile soil in this mood of agitation and anxiety.
It would be a reassuring development to see national anthems sprouting that express reconciliation and a glorious universal will for peace.
The underlying idea is liberation from every thought of war. It is the hope I dare to cherish: that all peoples, free from their power-driven leaders, want peace and security. We live under the same sun, within a beautiful and diverse natural world, endlessly profligating but not ‘by nature’ hostile
A CAUTIOUS START
An anthem, as well as a musically distinctive element, remains meaningful. It is also, again, what history teaches us.
In a number of countries, referendums preceded the choice, or at least thorough parliamentary discussions.
If we want to express a universal will for peace in our songs, preliminary criteria, determined by an authoritative body such as the United Nations, can be a considerable help.
Some criteria to consider:
- A content that is as universal as possible [in one’s own native language].
- Text and music.
- 1 to 2 verses + chorus.
- Not time-bound.
- Expression of the will for peace and reconciliation.
- The Charter of the United Nations and the Universal Declaration of Human Rights at hand or as inspiration.
- Understandable for everyone. This also means that historical events or figures should evoke an international and positive reputation. Figures such as Dante, Marie Curie, Martin Luther King, Newton, Buddha, Nelson Mandela, Einstein, Descartes, Pythagoras, Plato, JS Bach – to keep it at this selection – transcend the borders of their country and immediately evoke recognition. Our human achievements include the moon landing, the founding of the United Nations, the malaria vaccine, equality between women and men.
- Democratic decision-making. SWOT-analysis.
- Inter-religious. Not one religion, doctrine or God above others.
All in all, I am only interested in the lyrics. To make them more connecting and peaceful. In my opinion, there’s no reason to change any of the music or the melody. In this way, the anthems remain immediately recognizable, both nationally and internationally.
KNOWING MY LIMITATIONS
My contribution is distinguished by its incompleteness. After consideration, I have decided to translate most of the texts into English using Google Translate [for the Flemish original: see the attachment].
Every translation carries the risk of errors and misinterpretation. Both the undersigned author – with apologies – and his readers must come to terms with the shortcomings in order to let the intention prevail.
A thorough analysis is beyond my physical and intellectual power. I did not want to provide more than a starting point. Further study and concretization require an extensive, multidisciplinary and specialised hard working team, supported by authoritative organisations such as the United Nations, the African Union, the European Parliament, FIFA and others.
For once I advocate a resolutely short-term approach. Our threatened world peace is at stake. All benefits help. In today’s discouraging context, this requires – let it be said with a hollowed-out fashionable phrase – a real sense of urgency.
Willi Huyghe
The same article, in an much better lay out: 2025 – 03 – 20 – Anthems – EV – DVDV – ZHoofding
MAART 2025 – NATIONALE HYMNEN VOOR VREDE
Tijdens de zomer van 2024 mochten we even grootschalige als boeiende als uitstekend georganiseerde sportevenementen meemaken. Olympische Spelen, EK voetbal, Ronde Van Frankrijk. Daarbij rijkelijk vertoon van vlaggen en nationale hymnen. Enige traditie en enige geëmotioneerde nationale trots, op toon gezet door een in regel gezwollen klankbeeld van trage blaasinstrumenten, horen erbij en mogen erbij horen.
Het meervoudig verlichte Frankrijk was gastland voor de Olympische symboliek van internationale zuster- en broederschap tussen volkeren.
Door de zin ‘aux armes, citoyens’ met gescherpte aandacht te laten doordringen, opende ik een doos van Pandora in mezelf. Te vaak had ik neuriënd meegedreven op de herkenning van de melodie, zonder terdege na te gaan welke boodschap ik sinds lang met de woorden internaliseerde.
Zou het tot atleten op hun schavot als winnaar of op een voetbalplein doordringen dat ze bij het bezingen van hun land soms hun sportieve opponent naar het leven staan? Met de vlakke hand op het hart. Als deze topsporters het niet beseffen, wat dan met de massa aanwezigen in stadions en pleinen?
DE MINZIJDE
Een anachronisme
Met een volkslied dat niet meer van deze tijd is kan ik leven. Het is de minste van alle nationalistische kwalen. Zoveel liever altmodische romantiek dan modernistische vlotte nietszeggerij. Onze Nederlandse bovenburen en ons eigenste kleine België tonen zich Wiertzwaardig groot in hun hoogdravend gezang. Zelfs geheel los van enige actualiteitswaarde, mogen we ons durven afvragen wat zinnen als ‘heilig land der vaad’ren’ – ‘Onze ziel en ons hart zijn u gewijd’-‘Het bloed van onze adren’ bij jong en oud nog aan betekenis oproepen. Dat geldt in gelijke mate voor Het weledele Wilhelmus van Nederland. ‘Ben ik, van Duitsen bloed, den vaderland getrouwe tot in den dood. Een Prinse van Oranje ben ik, vrij onverveerd, den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.’ – ‘Mijn God, wil doch bewaren den trouwen dienaar Dijn, dat zij mij niet verrassen in hunnen bozen moed, hun handen niet en wassen in mijn onschuldig bloed.’ Enzovoort enzoverder.
Twintig jaar geleden zou den geëerde koning van Hispanië Juan Carlos als naam hebben gedragen. Er zijn kwalitatief betere referenties denkbaar om altijd te eren.
Omdat de Belgisch-Nederlandse gezangen overduidelijk de tand van onze tijd niet doorstaan, beperk ik me tot amper deze twee nabije landen en in mijn illustraties. Onze lage landjes zijn zeker niet de enige waarvan de hymne kreunt onder de barokke zinskrullen uit een achterhaalde historie.
Onbegrijpelijk
Meerdere liederen bulken van verwijzingen naar de landelijke geschiedenis en lokale historische figuren.
Vaak behoren deze gebeurtenissen of personages tot een ver verleden.
Even een snelle greep uit beroemdheden en helden die aan het hypernationale liedboek hun opgang of bezongen vermelding te danken hebben: Mátyás, Ferruccio, Bendegúz. Marshall Wade, Árpád.
Het is zelfs de vraag of deze namen in eigen land nog iets oproepen. Hetzelfde doet zich voor met plaatsnamen, verwijzingen, heiligen, goden, gebeurtenissen. Sindh, Erinn, Gujarat, Bayamo, Maratha, Dravid, Orissa, Vindyas, Yamuna, Ballila, Legnano, Baekdugebergte, Tisza, de Koemaanse velden, Toka.
Wij, mensen, weten steeds meer en kunnen veel opzoeken. Wel sympathiseert men zingend vermoedelijk sneller met buitenlandse gezangen als men daarvoor Wikipedia niet in aanslag hoeft te hebben.
Grootsheid en superioriteit
Wat aan dit en volgende hoofdstukken aan de minzijde voorafgaat is eerder onschuldig. Een misvatting. Taal.
Vanaf hier gaat het steil nationalistisch bergaf richting collectief schuldig verzuim. Het kan geen toeval zijn dat in de lofdichten het aantal [dubbele] uitroeptekens en bekrachtigende herhalingen van kerngedachten niet te tellen is.
‘Eigen lof stinkt’ wil het spreekwoord. Toch het overwegen waard als men landgenoten dwingt of oproept tot een nationale meezinger met een kwalijke adem.
De meest beangstigende verwoordingen hebben een letterlijk te nemen grensoverschrijdend karakter. Ze drukken een eigen gebiedsafbakening en -uitbreiding uit, geopolitieke aanspraken. Vanuit onredelijke en een onredelijk hoog aantal uitgeholde legitimaties of aanspraken, die men eindeloos kan aanvullen. Geschiedenis, recht, economie, bedreiging, bescherming van taalkundige minderheden. Ga zo maar door. Zogenaamde grote leiders – in hun kleinheid – pakken breed uit met hun volksverbonden drijfveren maar zwijgen in alle talen over eigen individuele glorie, deel uitmaken van het grote geschiedenisboek, idiote machtsdrang. Wie oorlog wil vindt altijd wel een reden om miljoenen anonieme burgers te offeren. Wie ‘vernietiging’ in het volkslied laat inschrijven, rust of sterft niet vooraleer haar of [vooral] zijn praalgraf koud omringd is door massagraven aan onschuldige anonieme doden.
‘Afrika, laat haar roem tot in de hemel reiken’ [Zuid-Afrika] – ‘Laat de lauweren voor eeuwig zijn’ [Argentinië] – ‘Haast je voor glorie en suprematie’ [Saoudi-Arabië] – ‘Servische glorie, nieuwe pracht’ [Servië] – ‘Het veelgevierde Oostenrijk’ [Oostenrijk] – ‘In full glory reflected, now shines in the stream: Tis the star-spangled banner’ – ‘Deutschland über alles, über alles in der Welt’ [Duitsland] – ‘Wees glorieus, ons land! […]. Vanaf de zuidelijke zeeën tot het poolgebied.’ [Rusland] – ‘een volk […] waarvan de roem rond zal gaan’ [Australië] – ‘Moge de natie, het land en de staat glanzen in eeuwige glorie’ – ‘Laten we uw schittering zingen en uw hoge feiten verkondigen. [Rwanda].
Vijandmodel
De geïllustreerde tijdslijnen die we vanaf het lager onderwijs op meterslange banden papier als huistaak kregen, maakten de jeugdige versie van mezelf al duidelijk dat in nationale geschiedenissen vooral geen lijn te trekken was. Volkeren kregen te maken met invasies, bezetting, verovering, ontheemding, destructie, gerichte of willekeurige machtsbeslissingen, revolutie, repressie en – al of niet tijdelijke – bevrijding. Om de helletoestanden uit het nieuws van de dag niet te noemen kunnen Nagorno Karabach, Hong Kong, Aleppo en Haïti in hun uiterste beperktheid volstaan om ons eraan te herinneren dat de mensheid helaas niet wijzer wordt.
Een ander dan het eigen land krijgt in die perceptie snel de kwaadaardige rol van belager. Meermaals bij naam genoemd. Volksliederen zijn vaak momentopnamen, meermaals gekoppeld aan een ervaren van bevrijding, lotsverbetering, vernieuwing. Een terugvinden van een veronderstelde identiteit, een gezamenlijk doel.
De internationale gemeenschap is op haar sterkst in vergeten. Tien jaar na wat men de feiten noemt zal de uitgedunde natuur, gierend van plezier, zich overheen alle kortstondige tragische mensenhistories en hun collectieve moordmachines gewoekerd hebben.
‘De pijlen der plunderende Mongolen bracht U nu eens over ons en ’t slavenjuk der Turken’ [Hongarije]
‘Contre nous de la tyrranie, l’étendard sanglant est levé’ – ‘l’antique esclavage’ – ‘vils despotes’ – ‘tremblez tyrans’ [Frankrijk] – ‘gedurende eeuwen werden wij vertrapt en bespot’ -‘het zwaard van de huurlingen ‘ – ‘de Oostenrijkse adelaar heeft reeds zijn veren verloren. Het bloed van Italië en dat van de Polen heeft hij gedronken met de Kozakken’ [Italië]– ‘the foe’s haughty host’ – ‘their foul footsteps’ pollution’ [VS] ‘onze vijanden zullen verdwijnen als de dauw in de zon’ [Oekraïne] – ‘scatter his enemies and make them fall, confound their politics, frustrate their knavish tricks’ – ‘grant that Marshall Wade, like a torrent rush rebellious Scots crush [GB – inkortingen auteur].
Militaire logica
Bij meerdere liederen ziet men rijen moedige soldaten in kolonnes voorbijmarcheren, een onzichtbare tegenstander tegemoet. Ze hebben grond en natie te verdedigen. Ze vertegenwoordigen het hele volk, tenminste de sterkste kant ervan. We zien loopgraven, solfer en geroep. Begrippen als ‘bataljon’ en ‘cohort’ kleuren het tafereel volledig in.
‘Trotseer het geweervuur van de vijand, voorwaarts! Voorwaarts! Voorwaarts! Mars!’ [China] – ‘Mexicanen, op de roep van de oorlog, weest gereed om het zwaard en de teugels te grijpen. Laat de aarde tot in het binnenste beven door het geluid van een brullend kanon. Als een buitenlandse vijand het aandurft met zijn voetstappen je grond te bezoedelen, denk dan, oh geliefd Vaderland, dat de hemel je een soldaat in elke zoon heeft gegeven.’ – ‘O! Soldaten, jullie zijn de voorhoede des volks.’ [Mexico] – ‘Soldaten zijn we, ons leven Ierland toegewijd. Voor Erins zaak, pijn of striem door kanonnen of geweren. We zingen ’t soldatenlied.’ [Ierland] – ‘Wanneer de dagen van strijd aanbreken, voer hem naar de overwinning.’ –
‘Snel naar de oorlog, mannen van Bayamo, want het thuisland kijkt trots naar jullie.[…]. Hoor de trompetten roepen: Snel, helden, naar de oorlog. Dappere Cubanen, laat ons strijden, en de oorlogskreten weerklinken. […] En als de trompet blaast: ten aanval zullen wij zij aan zij strijden en een eervolle overwinning behalen.’ [Cuba] – Where the foe’s haughty host?’ [VS – herh.] – ‘mijn ruiters zag men draven zeer moedig door dat veld.’ [Ndl] – ‘Sluit de rijen tot een cohort.’ [Italië].
God aan onze zijde
In tal van hymnen neemt één God uit het veelkleurige godendom de bescherming op van de hele natie. Het vormt evenzeer een intern rust- of lichtpunt als een afgrenzing tegenover anders georiënteerde religies. Een aantal landen richten zich rechtstreeks tot God, maken van hun hymne een gebed, een verzoek. Het Wilhelmus Van Nassouwe is dan weer een persoonlijk gebed van de prins in vijftien [hier is een uitroepteken gerechtvaardigd] coupletten.
Zolang wij, mensen, toelaten of institutionaliseren dat de ene God goddelijker is dan een andere God, geven we de strijd om het allerhoogste gelijk alle kansen en blijven de heilige [burger]oorlogen, middeleeuwse kruisvaarten, kalifaten en religieuze republieken latent en manifest woeden.
‘Eenheid en liefde openbaren zich aan het volk, het pad des Heeren. Wij zweren te bevrijden de grond van onze natie, verenigd door God. Wie kan ons overwinnen?’ [Italië] – ‘Oh Vaderland […] in de hemel is je eeuwige toekomst door de vinger van God opgeschreven.’ [Mexico] – ‘Deze vlag van de halve maan en de ster […] symbool van de bescherming van de Almachtige.’ – ‘Ons prachtige en dierbare land […]. Onschatbaar erfgoed, dat God voor u beschermt.’ [Rwanda* –
‘Zegen, Here God, zegen Afrika. Laat zijn roem tot in de hemel reiken. Hoor ons in onze gebeden aan. Here, zegen ons, zegen uw kinderen. God, wij vragen u, bescherm ons volk. Grijpt u in en beëindig alle strijd. Bescherm ons, bescherm ons volk.’ [Zuid-Afrika] – ‘Verheerlijk de schepper van de hemelen.’ [Saoudi-Arabië] ‘Wees glorieus, ons land […], beschermd door God’ – ‘zegen, Here God, zegen Afrika, laat haar roem tot in de hemel reiken. Hoor ons in onze gebeden aan. Zegen ons, zegen uw kinderen. God, wij vragen u, bescherm ons volk’ – ‘Chili met je blauwe lucht, pure winden die over je waaien en je veld versierd met bloemen is een mooie kopie van eden. Majestueuze met sneeuw bedekte bergen die door god als een geschenk zijn gegeven.’ – ‘God, zegen de Hongaren met goede zin en overvloed. Reik hun uw beschermende arm als ze strijden met de vijand.’ – ‘God der gerechtigheid, u die ons tot heden van de ondergang hebt gered, hoor ook nu nog onze stemmen en wees steeds onze verlosser. Leid en bescherm met machtige hand ’t schip der Servische toekomst. God, red, o God, behoed ’t Servisch land en ’t Servisch ras!’ [Servië] – ‘En dit is ons motto: ‘In God is ons vertrouwen’ en de met sterren bezaaide banier zal triomfantelijk wapperen over het land der vrijen en het thuis der dapperen!’ [VS]
In Groot-Brittanië lijkt de door God begenadigde koning God op aarde. Met het Britse volk als ondergeschikt decor. ‘God save our gracious King. Long live our noble King […]. O Lord, our God, arise. Scatter his enemies and make them fall. Confound their politics, frustrate their knavish tricks. On thee our hopes we fix: God save us all.’
Op die manier lijken alle Britse onderdanen het koningshuis de grootst mogelijke evidentie toe te kennen. De republiek komt niet bij hen op.
Het jonge leven geven
Voor God en vaderland. Oorlogskerkhoven overal ter wereld bieden meer eresaluut dan anonieme massagraven. Voor beide geldt de gewijde stilte van dood en verderf. Van zestienjarigen die de dood zijn ingejaagd.
Welke impliciete boodschap dragen liederen uit die kanonnenvoer en zinloos lijden rechtvaardigen, zin geven, een hogere betekenis toekennen? Liederen die zich vooral niet afzetten tegen dergelijk afschuwelijk lot.
‘Duizenden zielen werden voor je geofferd. Je werd een slagveld. Soldaten hebben hun leven voor je gegeven. Ze worden helden.’ [Azerbeidjan] – ‘Onze jeugd zal niet moe worden, tot uw onafhankelijkheid. Of ze zullen sterven.’ [Irak] – ‘Snel naar de oorlog, mannen van Bayamo want het thuisland kijkt trots naar jullie. Jullie hebben geen angst voor een glorieuze dood, want om te sneuvelen voor het land is om te leven.’ [Cuba] – ‘Daarna zo doet verlangen mijn vorstelijk gemoed: dat is, dat ik mag sterven met eren in dat veld, een eeuwig rijk verwerven als een getrouwen held.’ [Nederland] – ‘Sluit de rijen tot een cohort, wij zijn tot de dood bereid.’ [Italië] – ‘Trotseer het geweervuur van de vijand, voorwaarts.’ [China] – ‘Vaderland.
Je zonen zweren hun adem uit te blazen op je altaar als de klaroen met zijn oorlogszuchtige toon hen oproept waardig te strijden […]. Voor hen een tombe van eer.’ – ‘Oh, Gekoesterd land van moedige kinderen, we zijn bereid om ons leven voor je te geven, we zijn bereid om ons bloed aan je te geven […] [Mexico].
Overheersing en kolonisatie
Annexatie, afhankelijk maken, uitbuiting, tirannie, overheersing zijn historisch overduidelijk van vele tijden die onze generatie voorafgaan. De huidige economische exploitatie, veelal gekanaliseerd via zichzelf schaamteloos verrijkende machthebbers, is daarvan de vileine, want minder zichtbare optimalisering. Men vat het vandaag samen als vrijwillige en constructieve economische samenwerking. Alsof het om koopbare voetbalploegen gaat krijgen economisch zwakkere naties leningen op lange termijn toegekend die die landen onmogelijk kunnen aflossen.
In hymnen is het afgooien van het juk een terugkerend thema. Kleinere naties spreken zich daarbij moed in, al of niet in de wetenschap dat ze daarmee hun krachten overschatten, dat ze bij eventueel nieuw conflict bij voorbaat verloren zijn.
Wie het eigen numeriek manifest zwakkere volk – zeg maar het leger – onoverwinnelijk noemt, wekt valse hoop en zoekt problemen.
‘You overcame the colonial-imperialistic yoke that has devastated Africa entirely’ [Rwanda] – ‘Sta op, mensen die slaven weigeren te zijn’ – ‘trotseer het geweervuur van de vijand’ [China] – ‘Gedurende eeuwen werden wij vertrapt en bespot’ [Italië] – ‘We will drink from death and never be to our enemies like slaves. We do not want an eternal humiliation nor a miserable life’ [Irak] – ‘En ’t slavenjuk der Turken’ [Hongarije] –
Wreedheid
Ouders tonen zich vandaag met reden erg bezorgd over de nefaste invloed van toenemend geweld in de beeldcultuur. Diezelfde ouders doen er goed aan de teksten van hun nationale hymnen vóór het zingen te toetsen op gruwel. Al in de eerste strofe levert de Marseillaise ons een representatief staal af. ‘Entendez-vous dans les campagnes, mugir ces féroces? Ils viennent jusque dans vos bras égorger vos fils.’ Wel degelijk: kelen. De vluchteling verborg zich […], overal keek hij maar hij vond niet. […], smart en wanhoop naast hem, plassen bloed onder zijn voeten, boven hem een zee van vuur [Hongarije] – ‘We zullen drinken van de dood’ [Irak].
De brutale consequentie van bloed en bodem. Helaas ook de optelsom, de afrekening.
A Man’s Man’s World
‘But it wouldn’t be nothing, nothing without a woman or a girl.’ En toch krijgt de vrouw in de hymnen – als ze er al in voorkomt – een hoogst stereotiepe plaats. Hoe dan ook is er een voortdurende gerichtheid op vaders, zonen en broederschap.
Enkel al de betiteling ‘vaderland’ is betekenisvol. In Rwanda bezingt men het moederland, weliswaar als ‘moederlijke boezem van ons allen.’
‘Duitse vrouwen, Duitse trouw, Duitse wijn en Duitse zang moeten in de wereld behouden hun oude mooie klank, ons tot edele daad bezielen, ons hele leven lang.’ [Duitsland] – ‘Lord make the nations see that men should brothers be and form one family, the wide world over.’ [GB].
In het Duitse volkslied vinden we al te opzichtig het Wein, Weib und Gesang terug. In de Engelse versie is van de vrouw zelfs geen sprake.
DE PLUSZIJDE
De natuur
Meerdere hymnen bezingen de natuurlijke schoonheid van hun land. Het is een universeel en verbindend thema.
Het vormt ook een uitstekende basis voor een loflied dat niemand kwaad doet en zorg draagt voor de toekomst.
De natuur is omnivalent, vertoont zich in de grootst mogelijke verscheidenheid en heeft wereldwijd bescherming nodig wil de veelvraat Mens niet alle plaats opeisen.
‘Waar de golven ruisen Van de Tisza en de Donau […]. Omwille van ons op de Koemaanse velden deed U de aren wiegen. De wijnranken van Tokaj deed U van nectar druipen.’ [Hongarije] – ‘Land van bergen, land aan de rivier,
land van velden.’ [Oostenrijk] – ‘Water bruist door de weiden, dennenbossen ruisen over de rotsen, in de tuin glanst de lentebloesem, aanblik van het aardse paradijs.’ [Tjechië] – ‘Uit het blauw van onze hemel, uit de diepte van onze zee, over onze eeuwige gebergtes, waar de rotsen antwoord geven, klinkt de roep om samen te komen.’ [Zuid-Afrika] – ‘Chili met je blauwe lucht, pure winden die over je waaien en je veld versierd met bloemen, is een mooie kopie van eden. Majestueuze met sneeuw bedekte bergen die door god als een geschenk zijn gegeven en de zee die je reinigt, die je een gunstige toekomst zal geven.’ [Chili].
Poëzie
Midden veel taalgeweld kan men ook een ruim aantal zinnen of beelden vinden die met een bijzonder fijnzinnige pen genoteerd zijn en die daarmee wellicht sterk de beleving van een volk uitdrukken.
‘Je ligt midden het continent, als een sterk hart.’ [Oostenrijk] – ‘De zee die je reinigt.’ [Chili] – ‘Tot stenen rotsen worden bedekt met mos.’ [Japan] – ‘Fontein van vrijheid, bron van licht. Waar soevereiniteit en veiligheid elkaar treffen.’ [Marokko].
Goede voorbeelden
De erg beperkte selectie die volgt is mijn persoonlijke selectie en inhoudelijk onvermijdelijk subjectief. ‘Wat spreekt me als tegelijk landsburger en wereldburger aan?’ – ‘wat raakt me?’ waren de eenvoudige vragen die ik me stelde.
In die beoordeling herken ik bij mezelf het zoeken naar een hogere waarde, die zich voor mij niet noodzakelijk vertaalt in een goddelijke kracht. Wel opnieuw in wat mensen en volkeren met elkaar verbindt, wat ze met elkaar gemeen hebben. In mijn sterk vermoeden ligt in de teksten die mijn positieve aandacht gewekt hebben, ook vaak diepe pijn ingebed [Japan, bvb].
De sublimatie daarvan is dan waardige sublimatie zonder ontkenning. Telkens weer benadrukken de teksten in hun algemeenheid of in de fijne trekken van hun taalpenseel het schone en goede in mens en omgeving. Soms neem ik bewust niet de hele tekst op. De geschrapte strofen maken dan deel uit van de argumenten in mijn negatieve balans. De strofen die ik heb behouden, dienen dan als goed voorbeeld voor een eventueel vervolg in de tekst. Soms duikt een tekst of een tekstdeel op dat voor mij het eerder negatieve beeld van een land – al of niet aangepraat via de media – corrigeert. Als in veel vrije kunst en vrije cultuur komt telkens terug ‘we zijn mensen’ – ‘in onze verschillen zijn we mensen met gemeenschappelijke waarden.’
Onvermijdelijk zullen in de opsomming herhalingen met vorige hoofdstukken voorkomen.
‘Totdat stenen rotsen worden, die bedekt zijn met mos.’ [Japan – herh.] – ‘Uit het blauw van onze hemel, uit de diepte van onze zee, over onze eeuwige gebergten, waar de rotsen antwoord geven, klinkt de roep om samen te komen.’ [Zuid-Afrika] – ‘Fontein van vrijheid, bron van licht, waar soevereiniteit en veiligheid elkaar treffen.’ [Marokko] – ‘Mijn vaderland. Majesteit en schoonheid, verhevenheid en pracht zijn in uw heuvels. Leven en verlossing, plezier en hoop zijn in uw lucht. Wanneer zal ik u zien? Veilig en welvarend, […] zal ik u zien in uw eminentie, de sterren bereiken?’ [Irak] – ‘Land van bergen, land aan de rivier, land van velden, land van kathedralen, land van hamers met een mooie toekomst. Thuisbasis van geweldige dochters en zonen, mensen die begaafd zijn voor het mooie. […] Je ligt midden op het continent als een sterk hart […] Zie ons vrij en trouw wandelen, blij om te werken en hoopvol.’ [Oostenrijk] ‘Chili met je blauwe lucht, pure winden die over je waaien en je veld versierd met bloemen is een mooie kopie van eden. Majestueuze met sneeuw bedekte bergen die door god als een geschenk zijn gegeven en de zee die je reinigt, die je een gunstige toekomst zal geven.’ [Chili] –
‘Waar is mijn thuis? […] Water bruist door de weiden, dennenbossen ruisen over de rotsen, in de tuin glanst de lentebloesem. Aanblik van het aardse paradijs. En dat is dat mooie land, Tsjechische land, mijn thuis.’ [Tjechië] – ‘Respect voor burgerschap is groot in ons Ethiopië. Nationale trots wordt gezien, schijnend van de ene kant naar de andere, voor vrede, voor gerechtigheid, voor de vrijheid van volkeren. In gelijkheid en liefde staan wij samen. Sterk op de grondvesten […]. Wij zijn mensen die leven door te werken. Wonderschoon is de traditie, maagd van trots erfgoed, moeder van natuurlijke waarden, moeder van moedige mensen. Wij zullen U beschermen – we hebben een taak. Ons Ethiopië, leef en laat ons trots op je zijn.’ [Ethiopië] – Laat de morgen schijnen over het zilver en goud van dit land. Deze wereld met natuurlijke schoonheid.
Dit is mijn prachtige vaderland. De glorie van wijze mensen, opgevoed in een schitterende cultuur met een vijf millennia lange geschiedenis. Laten we onze lichaam en geest wijden aan het voor eeuwig aanmoedigen van dit Korea. […] We nestelen ons in de geest van de arbeid, de sterke wil, verbonden met eerlijkheid […]. Dit land is ontstaan door de wil van de mensen.’ [Noord-Korea] – ‘Saba, gij rijst op uit de oceaan, met bergen en hellingen zo steil. Hoe kunnen wij u bereiken om u te begroeten, eiland van de zee, ruw en diep? Kom, laat ons naar de roeiers kijken met hun gezichten zo vredig en kalm. Leid ons nu veilig door de branding, breng ons zonder schade aan wal. […] Zullen herinneringen van uw schoonheid overblijven, mochten wij ver van u rondzwerven? Uw wegen klimmen allemaal steil tussen de groene heuvels door. Tot aan de allerlaatste bocht. […] De scène is een pittoreske vallei met bloemen zo welriekend en fijn. Dit landschap van betovering prent schoonheid in de geest in. […] De mist en de zeebries vermengen zich met elkaar en verfrissen de lucht om van u, Saba, zo kostbaar, een gezonde en welvarende sfeer te maken. […] Vriendelijk en lieflijk, al is het klein.’ [Saba].
DE ZWIJGERS [HEBBEN MISSCHIEN ONGELIJK]
Zonder Woorden
Spanje heeft de begrijpelijke keuze gemaakt om het bij een melodie te houden. Dit wortelt opnieuw in de pijnlijke burgeroorlog die de bevolking getroffen heeft en het tot vandaag sluimeren van een onderdrukkend Franco-regime.
De weinige andere landen die zichzelf van tekst gevrijwaard hebben, roepen gelijkaardige ontvlambaarheid of impasse op: Bosnië, Herzegovina, Kosovo.
Voor het even schilderachtige als exemplarisch vreedzame San Marino [communisten, socialisten en christen-democraten vinden elkaar beleidsmatig in het belang van hun land] zie ik dan weer geen reden om niet eendrachtig op een tekst te zoeken.
In zwijgen – in Spanje moet veel verzwegen worden – vind ik geen oplossing. Zorgvuldig gekozen en gedeelde woorden kunnen verbinden, bieden kracht.
VOORLOPIGE BALANS
We leven vandaag in een andere tijdsgeest dan honderd tot vijftig jaar geleden. Hoewel men vaststelt dat nationalistische tendensen toenemen, lopen deze ontwikkelingen achter op de multiculturele en geïnternationaliseerde wereld waarin we in de feiten leven. De veelkleurigheid binnen landsgrenzen heeft gemaakt dat de band tussen natie en burger – behalve bij hardliners – veel minder scherp is geworden. Dat veel – al of niet later genationaliseerde – sporters de nationale hymne niet meezingen, de woorden niet kennen of zich zelfs misprijzend gedragen, zou dit kunnen aanwijzen. Het is hen als kind niet aangeleerd. Het spreekt hen – wel vaker behoorlijk zichtbaar – niet aan [soms is het aankijken tegen een negatieve, hooghartige, egocentrische afwijzing].
Met deze vaststelling heb ik vooral niet genoteerd dat men – met oog voor onze onzekere toekomst – nationale erkenning, identiteit en gezamenlijke geschiedenis dan maar best ieder belang of relevantie ontzegt. Verbindende kenmerken, een landelijk dak boven het hoofd, een welbevinden binnen grenzen, kan van waardevolle betekenis zijn. Ontheemding is voor niemand een goede zaak.
Een mogelijke humane grensoverschrijding bevindt zich op de zere plek waar nationalisme en patriottisme synoniem worden voor landelijke tot regionale uitsluiting en discriminatie.
Als aangegeven in deel één van mijn betoog, kampen te veel anthems anno 2024 met een ernstig imagoprobleem.
Zo is het voor onze democratieën zo cruciale begrip ‘vrijheid’ veelal synoniem voor een bevochten, herwonnen of blijvend te bevechten bevrijding of onafhankelijkheid. Bij te veel liederen vinden we de sfeer terug van wapperende banieren, grootsheid, vlaggen, trompetten, speren, overwinning. Dat bvb het Servische volkslied het begrip ‘ras’ laat uitzingen, introduceert een moeilijk definieerbaar onderscheid eigen-niet eigen, dat bijzonder kwalijke herinneringen kan oproepen.
Net als de milieubewegingen staan vandaag alle vredesbewegingen onder zware druk. Men doet er nog meer minnetjes over dan vijftig jaar geleden. De wereld oogt behoorlijk in de war. ‘War’ ook als opgezweept, oorlogsrijp gemaakt, angstig.
Het zou een geruststellende ontwikkeling zijn volksliederen te zien kiemen die verzoening, een glorieuze universele vredeswil uitdrukken.
De achterliggende gedachte is de bevrijding van iedere oorlogsgedachte. Het is de hoop die ik durf koesteren: dat alle volkeren, los van hun machtsgedreven leiders, vrede en geborgenheid willen. We leven onder dezelfde zon, met een prachtige, gevarieerde natuur, die wel groeikrachtig woekerend kan zijn maar niet ‘van aard’ vijandig.
Een voorzichtige aanzet
Een anthem, als ook een muzikaal onderscheidend gegeven, blijft betekenisvol. Het is ook opnieuw wat de geschiedenis ons leert. In een aantal landen gingen referenda aan de keuze vooraf, vonden minstens grondige parlementaire besprekingen plaats.
Willen we in onze liederen een universele vredeswil uitdrukken, kunnen voorafgaandelijke criteria, bepaald door een gezaghebbend orgaan als de Verenigde Naties een behoorlijke hulp zijn.
Aandachtspunten die men daarbij alvast in overweging kan nemen:
- Een zo universeel mogelijke inhoud [in de eigen landstalen].
- Tekst en muziek
- 1 tot 2 strofen + refrein
- Niet tijdsgebonden
- Uitdrukking van de vredeswil en van verzoening
- Het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bij de hand of als inspiratie
- Begrijpelijk voor iedereen. Dit houdt ook in dat historische gebeurtenissen of figuren best een internationale en positieve reputatie oproepen. Figuren als Dante, Marie Curie, Martin Luther King, Newton, Boeddha, Nelson Mandela, Einstein, Descartes, Pythagoras, Plato, JS Bach – om het bij deze greep te houden – overstijgen de grenzen van hun land en roepen meteen herkenning op. Tot onze menselijke verwezenlijkingen behoren de maanlanding, de oprichting van de Verenigde Naties, het malariavaccin, de gelijkheid tussen vrouw en man.
- Democratische besluitvorming. SWOT-analyse.
- Inter-religieus. Niet één religie, leer of God boven andere.
Mijn Plaats Kennen
Mijn bijdrage munt uit in onvolledigheid. Na overweging heb ik beslist de meeste teksten met behulp van Google translate te vertalen naar het Vlaams. Iedere vertaling houdt het risico van foutenlast en misinterpretatie in. Dit is voor zowel auteur – met excuses – als lezer voor lief te nemen. Een grondige analyse gaat mijn fysieke en intellectuele krachten te boven. Meer dan een aanzet heb ik niet willen geven. Verdere studie en concretisering vereist een uitgebreide, multidisciplinaire en specialistische équipe, gesteund door gezaghebbende organen als de Verenigde Naties, De Afrikaanse Unie, het Europees Parlement en andere. Voor één keer bepleit ik een resolute korte termijnaanpak. De bedreigde wereldvrede is in het geding. Alle baten helpen. Dit vereist in de weinig opbeurende context van vandaag – wat modieus heet – een sense of urgency.
Willi Huyghe
Hetzelfde artikel in een veel betere lay out: 2025 – 03 – 20 – Anthems – VL – DVDV – ZHoofding
______________________________________________________________________________________________
The same article, in an much better lay out: 2025 – 03 – 20 – Anthems – EV – DVDV – ZHoofding
______________________________________________________________________________________________
AUGUSTUS 2024 – IN VREDE LEVEN EN STERVEN
Zeventigers als wij krijgen voortdurend met verlies en afscheid van vertrouwden te maken. Het zou de gang van het menselijke bestaan zijn. We leren er mee verder leven.
De opeenvolgende begrafenissen die ons deel zijn hebben een overtal aan associaties gewekt, indirect en direct aan dit convent verbonden.
In deze te haastig geschreven en weinig geordende bijdrage, geef ik een paar bedenkingen hun vrije loop.
Mens
In de na- [of pre-] oorlogstijdspanne waarin onze jaren van jong naar al te snel veel ouder tikten, noteerden we doorheen onze tijd bij dit definitieve afscheid een toenemende veelkleurigheid. Ook de traditioneel christelijke begrafenis die mijn opvoeding me in mijn jeugd als vanzelfsprekend oplegde, kreeg ik gaandeweg ingeruild voor een minder strakke religieuze regie. Priesters die woorddiensten in hun kerk toelieten, boden de vrienden en familie ruimte om hun waardering voor hun overleden metgezel uit te spreken. In teksten waarin het tedere zoeken centraal stond en minder de bijbelreferentie.
Die – helaas misschien eenmalige – aandacht voor leven, inzicht, werk, betekenis van het overleden mensenkind, zinde mijn zestienjarige zelf bijzonder. De ontwikkeling van het bovenmenselijke naar het humane perspectief, liep parallel met wat ikzelf doormaakte. Het door het doopsel ‘van God’ terug ‘naar God’ bij het levenseinde vond ik een depersonaliserende vorm van recuperatie.
Ritueel
Om vroegkinderlijk bij agnostiek uit te komen en er voor mijn verdere bestaan betrekkelijke rust te vinden, moest ik doorheen een complex proces. Wie bij volle bewustzijn afstand neemt van gevestigde opvoedingswaarden, waaronder geloof, maakt scherven. Dit gevecht kon voor mij maar zin krijgen als het niet enkel om mezelf zou gaan. Voor egocentrisme wilde ik niet moederlijk in de wieg gelegd zijn. Het is aangenaam jezelf tot een groter, zelf-overstijgend geheel te bekennen. Zonder vooral mezelf niet te verliezen, vind ik er af en toe hemelruimte. Rituelen blijven me een aantrekkelijk memorandum bieden. In mijn onderkennen van de zingevende betekenis van een ritueel sta ik niet alleen.
Het creëren van afstand en sereniteit is transcultureel en in die zin verbindend. Dat de loges gesloten gemeenschappen vormen die intramuraal stijf staan van symboliek is geen toeval.
De christelijke leer blijft me – naast andere – inspireren, precies omwille van haar humane gerichtheid. Ook omwille van haar – soms amechtig – zoeken naar een hogere zin en betekenis. Door [de ontroering die bij me inslaat bij] Bach te noemen, hoef ik er geen tekening bij te maken. We zullen van inzicht en beleving verschillen als ik – eens van alle typisch menselijke barok ornament ontdaan – veel kerken, gebedshuizen en moskeeën [hun mozaïek] een wonderlijke schoonheid toeken, die tot existentiële contemplatie uitnodigt.
Richtfiguur
De maatschappelijke erkenning van dit moeilijk in woorden te vatten ‘bredere’ of ‘hogere’ laat zich deels aflezen van het toewijzen van een – zelfs aardig verloond – ambt aan de erediensten. Tegen deze geestelijke taak opgewassen en daartoe opgeleide functionarissen waarbij de burger terecht kan. Buiten tot hun geloofsgemeenschap – waartoe eenieder zich uit vrije keuze erkent – behoren ze tot geen enkele partij. Men kan verwachten dat ze erboven staan. Boven politiek en materialiteit. Op een andere manier dan hulpverleners of maatschappelijk werkers. Als door de gemeenschap fiscaal betaalde ambtenaren zonder overheidsvakbond blijven ze permanent beschikbaar en leveren ze gratis dienst voor een hoger belang dan individu, gezondheid en natie. Al dan niet religieus geïnspireerd. Van hardst in de leer tot en met vrijzinnig.
Werelds
In ons Westers verleden heeft de geconsacreerde en gepersonifieerde clerus zich meerdere eeuwen kunnen handhaven. Als stand [in brede zin]. De generatie waarvan ik graag nog even deel uitmaak en die straks ook weer uitgeleefd is, heeft in niet geringe mate bijgedragen tot de secularisering. In een schalkse boosheid van snaken overtuigden we onszelf dat we er goed aan deden de poten te korten van de stoelen waarop rang en macht zich meenden te kunnen blijven installeren.
Ons vooruitgangsoptimisme van onze jonge jaren zag eenzijdig een vredelievende en verstandige mensheid.
‘Verstand, jazeker, maar waartoe?’ drong pas later tot ons door. Tegen de vierkante rationaliteit van materiële welstand, autoritaire macht, hoogtechnologische wapensystemen en polarisatie kon onze soft power niet op. In die onmogelijk nog te ontkennen wereld van succes lijkt niets het huidige collectieve geluk in de weg te staan. Velen ervaren geen enkel gemis. Zolang de ijskast en de televisie het doen, kunnen ze het perfect zonder immaterieel hoger streven stellen.
Wetenschappers die zich ernstig n[o]emen en zich over de ethische dilemma’s anno 2024 buigen, tonen statistisch significant aan dat qua life satisfaction op een schaal van 1 tot 7, superrijken hun leven veel positiever inschatten dan loontrekkenden die een half miljoen per jaar verdienen [1]. Geen enkele illusie blijft ons in onze jaren van [ook wel afnemend] verstand bespaard. De impliciete boodschappen die we op deze manier haast dagelijks vermetel doorslikken lachen ons geometrisch uit met de leegte die wij nog af en toe durven aanpraten of de doorgeslagen slinger richting vermaterialisering,
Levende Onschuld
Dat de boom van de grootste Westerse kerk veel wind gevangen heeft, hebben haar takken voor het volle pond aan zichzelf te danken. Te veel van haar gemandateerde richtfiguren hebben hun ambt beschaamd. Letterlijk ongeloofwaardig gemaakt. De schade die ze aangericht hebben is wel en niet te overzien. Wie de pretentie heeft een goddelijke ethiek te prediken, kan daar als voorganger best een beetje naar leven. Ondertussen heeft de goegemeente toe te kijken op veel schuldige vergiffenis voor mannelijke zonden die geen vergiffenis verdienen. Met een opvallende buffering tussen wet en kerk. In zoverre dat de kerk boven of buiten de wet kan staan. Net datgene wat velen in de Islamitische leer zo bedreigend vinden voor de democratie.
Daarbij twee marginale regels slechts over het celibaat. Er bestaat decennialange wetenschappelijke evidentie dat gehuwde voorgangers even kwalitatieve en toegewijde zielenherders [kunnen] zijn als hun celibataire evenknieën.
Onder hen zijn ongetwijfeld eveneens stielbedervers te vinden.
Straatgevecht
Hoe terecht ook de schandpaal voor de daders, mag men de vraag durven blijven stellen of sommigen met de katholieke kerk niet een gemakkelijk slachtoffer gevonden hebben. In de tegenwoordige tijd hangen een sensatiezucht en een gretig cynisme in de lucht die me storen. Het zal persoonlijk zijn. Intellectueel is het opgeklopte vijandmodel me vreemd. Vlaams Belang incorporeert niet per definitie alle kwaad. Noem me zowel chronisch genuanceerd als niet belast door twijfelzucht. Hoogst ongemakkelijk. Leven en leer van Christus blijven me dierbaar als bijzonder menslievend en inspirerend.
Met toenemende regelmaat keren hier te lande de verenigde tegenstanders zich tegen het kreupele en krimpende instituut kerk. Ze verzamelen zich als heiligen buiten of boven die kerk. Beschut tegen weer en wind wanen ze zich zonder zonde en werpen ze alle eerste stenen die voor het rapen liggen. De sport van het afbreken van heilige huizen beperken tot één heilig huis, angsthazig andere religies sparen en dit links noemen is voor mij niet fair. Rancune is bovendien de slechtst mogelijke basis om iets op te bouwen. Hoe de ene religie de andere religie van de wereldkaart wil vegen, hoe vrijzinnigen zich tot papenvreters ontpoppen, zich zo militant tegen religiegezinde medemensen kunnen keren en zich tegelijk humanisten blijven noemen, zal levenslang een raadsel voor me blijven.
In mijn generatiegebonden, geometrisch uitgelachen perceptie zouden de vragen ‘wie kan ik nog vertrouwen?’ – ‘bij wie kan ik nog in vertrouwen terecht?’ – ‘waar vind ik geestelijke begeleiding?’ zich met de jaren nadrukkelijker kunnen stellen.
In die aanname [sommige woorden vereisen een mondspoeling] vormen de zoekers naar waardigheid, integriteit, moreel gezag nu al een zwijgzame – zo niet lijdzame – mensenzee.
Wij Water
Bij onze laatste begrafenisdienst in de rij konden familie en vrienden de regie ervan vinden bij een vrouwelijke voorganger van het Huis van de Mens. Sereen, respectvol, waardig, met ruimte. Dit was zondermeer degelijk [en uitzonderlijk – ook binnen dezelfde gezindheid maakten we ontspoorde wegwijzers mee].
Haast brutaal realiseerde ik me opnieuw dat ik het bij leven niet zal mogen meemaken dat vrouwen wereldwijd in de zich christelijk noemende kerk tot priester gewijd worden. Voor een kerkgemeenschap met een zo lange traditie noem ik dit pas een schandelijke discriminatie. Stichter-bezieler Jezus de Nazareeër toonde zich exemplarisch vrouwvriendelijk, werd volgens het sterke verhaal tijdens en na zijn menslievend sterven door vrouwen op handen gedragen. Zouden zijn mannelijke volgelingen het wéér niet begrepen hebben?
Een mens zou haast de branie prijzen van de mysogine en wrede Henry VIII die in 1534 – we zeggen en schrijven 1534 – uit louter persoonlijk belang komaf maakte met de religieuze mannenmaatschappij. Meer Havel-Tjechisch is het er in de Skandinavische landen aan toegegaan. Hoe is het mogelijk dat in klein Vlaanderen en haar randgebieden niet kan wat men in genoemde beschaafde landen verworven acht? Hoe kan het dat Rome dit kortzichtige dictaat blijft verordenen? Gemarmerd viriel pilarengeblaat zonder wol.
Mijn Vlaamse klomp brak helemaal na het hardvochtige njet tegen het toelaten tot [zelfs maar] de diakenopleiding van de even trouwe als moedige mevrouw Veer Dusauchoit, die in de rechtbank – en hoe terecht – haar gelijk had gevonden.
Dit ‘boven de wet staan’ schurkt gevaarlijk dicht aan tegen de [even viriel-] doctrinaire leerstelsels die geen scheiding van staat en kerk erkennen. Door hun ene Opperwezen boven alle wetten en religies te plaatsen hebben die wél de voorlopige toorn van de democratische naties over zich uitgeroepen.
Hoe braaf christelijk vrouwen na hun zoveelste kaakslag hun andere wang blijven aanbieden, is godgeklaagd. Deze kerk vraagt om suffragettes en Pussy Riots. Niet enkel in Ninove of Berchem. In de Sixtijnse kapel. Pal voor de gouden pauselijke troon. Ze doen er rebel Jezus een plezier mee.
Huis van God
Het Huis van de Mens beschikt enkel over een bureau, alsnog niet over een eigen Huis. Dat hoeft ook niet persé. Het zou architecturaal geen gezicht zijn. Kennen we onszelf dan een torenspits, een kubus, een koepel, een lange kronkel, een pyramide toe? Hybrisvormen.
Dit eigen huis is ook nergens voor nodig omdat de hooggeprezen laïcisering, ontkerkelijking, het instituutmisprijzen of gewoon geestelijke gemakzucht voor kerkelijke leegstand en dito toeristische attractie gezorgd hebben. Gebouwen op overschot, zou men denken. Zo eenvoudig is het niet. Er spelen ‘gevoeligheden’. Uitgerekend de variante gelovigen onderling en de vrijzinnigen-versus-gelovigen kunnen niet door dezelfde poort. De poort van een andere religie zou heiligschennis betekenen. De drempel van de onderscheiden soorten godstempels zal altijd te hoog zijn of te hoog gemaakt. Het is een intermenselijke omgangsvorm die voor mij iedere weldenkende ratio ondergraaft. Om het niet gewoon bij redelijkheid te houden.
Bij gebrek aan een eigen auditorium en toebehoren moest de vrij zinnige mevrouw die zo sereen de laatste dienst die we meemaakten begeleidde samen met de familie op zoek naar een geschikte ruimte om een geliefde moeder te kunnen begraven. Als het geen kerk mocht zijn, had het voor mij een crematorium, eveneens een publieke locatie, kunnen worden. Helaas zijn ook die crematoria niet zo dik gezaaid. Gebrek aan federale, bovenlokale en lokale politieke investering en inzicht [bij wat bij hun bevolking leeft]. Misschien stelde zich daar een agendaprobleem. Veel overledenen vóór u. Voorgangers met vakantie. 32-urenweek.
De Liberale Sky
Het was ons al vele jaren geleden in Frankrijk opgevallen. Begrafenisondernemers midden de industriezone. Een lelijke betonnen balk naast andere lelijke betonnen balken ontsierd door een lichtreclame voor een winkelketen. Het snel overwaaien van deze industriële trend kon in arbeidzaam Vlaanderen niet uitblijven. Er was zelfs weinig zakelijk inzicht nodig om in de begrafenis een florissant gat in de markt te zien. ‘Van balsemen tot toetje bij de koffie.’ Websites laten toe een weloverwogen keuze aan te vinken. Welke bloemen, tafelschikking, menu, muziek, muzikanten, urne, beeldmateriaal, teksten. De eigen verhuurbare aula heeft toiletten. Een belangrijk pluspunt. De kerken kunnen er iets van leren. Condoleren kan online, mits er rekening mee te houden het aantal lettertekens beperkt te houden. Vanzelfsprekend hangt aan elke vink een prijskaart. Een prijskaart die veel en veel hoger kan oplopen dan wat we destijds bij het ordinaire afscheid van mijn overleden vader op te diepen hadden.
Twintig jaar geleden maakte ik mee dat de priester ons uitzwaaide bij de kerk en de verdere plichtpleging van daar overliet aan de begrafenisondernemer. Vreemd dat mijn geloofsvrije ingesteldheid het als een minderwaarde ervaarde dat de begrafenisondernemer plots het woord nam en ons kerkelijke gebeden liet naprevelen [wat haast het volledige groep aanwezigen braaf deed – opstand is stijlloos bij een open graf]. Er waaide een herfstige tegenwind.
De wat dwarse wijlen professor Freddy Verbruggen had al in mijn jaren van deschooling society geduid dat het verassen van lichamen paste in een klimaat van efficiëntie en opruiming. Zou ik zijn gelijk mogen zien in het gegeven dat ik nog weinig kisten te zien krijg tijdens afscheidsrituelen? De hulde bij de urne is het nieuwe normaal [opnieuw een tijdgebonden woordkrul] geworden.
Professioneel zijn de huidige commerciële vieringen wel. Met een voorganger die haar of zijn stiel kent. Voor mij betekent het nog meer oefenen in ‘wennen aan’. Kruisjes die we in een levensboom kunnen hangen, een wereldse versie van de offerande – muntjesloos want opgenomen in de factuur -, de priesterlijk-zalvende stem perfect geïmiteerd door de patron van de middelgrote onderneming, het familiebedrijf.
Sentiment. Dat ook. Hartverscheurend inspelen op sentiment. Ook in Werchter, in het Sportpaleis en in alle kindervoorstellingen zie ik het gebeuren. Het businessmodel is verwant. Waarmee ik me niet laat betrappen op ontwaarding van de menselijke emotie. Die vitale kracht laat ik vooral niet afdoen als minderwaardig en subjectief.
Huizen voor Mensen
In de cenakels van de lokale besluitvorming heeft men in welbespraakte kringen van investeerders eens besmuikt goed kunnen lachen met Mikhail Bezverkhny die het in zijn hoofd had gehaald om dag na dag zijn ooit Elisabethaans gevierde viool te stemmen in de overtuiging dat hij met zijn zichtbare actie de Gentse Sint-Annakerk kon redden van de uitverkoop aan Delhaize [de gerantenconstructie moest toen nog over de hoofden van de medewerkers gegoten worden]. Zijn stelling was nochtans eenvoudig. ‘Een kerk mag heilig blijven en een plek zijn van stilte en meditatie. Als jullie dan toch willen ontheiligen, zoek dan in de richting van een culturele bestemming. Maak er op z’n minst geen supermarkt van.’
Het anti-religieuze kamp zag het anders. Iedere ontheiligde kerk is een ziel gewonnen. Hoe meer commercie, hoe meer zogeheten individuele energie en ondernemingszin, hoe liever. ‘Laten we de kaloten in het ideologische hart treffen en voor hun neus verkoelend met bankbiljetten wapperen. Daartegen is geen enkel geloof bestand.’
Voor de moed van Mikhail bestond ook geen animo bij de burger. Die kan dat nog wel opbrengen voor Gentse massafeesten of een dagelijkse marathon met sponsors. Alles maar geen stilte en meditatie.
Dan liever een personal trainer en therapie. Voor wie het kan betalen. Graag laat ik het aan academici met profileringsdrang om meetbaar te maken in hoeverre laïcisering en vermaterialisering een familieband vertonen.
In die devolutie drijft de ontkerkelijking mee op de waan van de tijd. Ontsynagoging of ontmoskeeïng heeft de weg naar het dagelijkse taalgebruik nog lang niet gevonden. ‘Ontzuiling’ al twintig jaar, al lijkt het zeer sterk op verkruimeling van één zuil zonder de inventiviteit van een vol en waardig alternatief. De nieuwe kerk heet massamanifestatie. Toeschouwersaantallen die doen duizelen en steeds hoger moeten. Samen met de evidente prijzen voor hun toegangstickets. De Nieuwe Religies mogen iets kosten.
Some have a dream
Het even interreligieuze als prestigieuze House of One in Berlijn, dat Moslims, Joden en Christenen [welke dan?] een gezamenlijke ruimte biedt, geeft een interessante aanzet. Jammer dat andere religies er geen poot aan de grond krijgen en de vrijzinnigen evenmin de deur op een kier. Terwijl de plekken voor innerlijke rust, contemplatie, rouw, gebed, vredelievendheid, sereniteit, schoonheid, verzoening onbetaalbaar zijn [en liefst onbetaald blijven].
Voorwaar, ik zeg u, het is mijn vergeefs pleidooi waard: het openstellen van alle religieuze gebouwen voor het benutten door de meest kleurrijke gezindheden denkbaar. Met behoud van hun exclusieve gerichtheid op het zielenleven – gevrijwaard van de indeling lager en hoger, aards en hemelwaarts -. Voor mij graag een publiek gegeven met publieke voorgangers. Dit in een geest van tolerantie en verbinding. Met gedeeld respect voor eigen symboliek in de vorm.
Men hoeft geen symbolen weg te nemen of een kruis te bedekken om als moslim of vrijzinnige contemplatie te vinden in een kerk. Of als orthodoxe christen in een moskee, een vrijzinnigentempel of een protestants gebedshuis.
Met wat de communicatiescholen gemeenzaam als ‘ontsluiting’ verkopen heb ik niet de minste affiniteit. Om volk te lokken voor een geloofs- of ongeloofsgemeenschap in opbouw hoeft men geen gadgets uit te delen, de drempel niet met de grond gelijk te maken, geen houseparties te bouwen, van een religieuze tempel geen café te maken met een pooltafel, een flipperkast en een toog. Inspiratie, organisatie, luisteren, geduld en energie zouden kunnen volstaan. Enige piëteit is deugdelijk. De veralgemeende demystificatie verdient een injectie mystiek. Buiten eer, glorie en geld voor de kunstenaar, ontgaat me de meerwaarde van een koe aan het kruis.
We zullen ongetwijfeld van smaak verschillen, maar veel kerken en moskeeën zijn wonderlijke, aantrekkelijke gebouwen, die zich tot veel beter lenen dan tot nostalgie, toerisme, supermarkt, zelfs cultuurtempel [bij gebrek aan financiële ruimte is ook daar al veel leegstand ‘weet je wat zo’n zanger durft vragen?’].
De dwaze believer in mij houdt tegensputterend vol dat de toenemende polarisaties tussen grote [on]gelijken straks hun saturatiepunt bereiken. Graag gun ik mezelf lichtpunten. Daartoe roep ik een wereldcommissaris in het leven om er met bekwame spoed en bij wet de priesterwijding voor vrouwen en de afschaffing van het celibaat door te jagen. Dit voor alle religies. Enkel een vrouwelijke Dehaenekloon krijgt zoiets politiek-maatschappelijk voor mekaar. De man – méér CVP was niet mogelijk – klaarde de staatshervorming en duwde de hogesnelheidstrein door alle tegenwind. Allebei met immense nadelen die bijvijlen vereisen. Wel gerealiseerd.
Het kan de toon zetten. Op een doordeweekse dag zullen alle zuilen door het goddelijke licht bevangen worden dat we best in staat zijn tot vriendschappelijk en respectvol samenleven. Het mag ook een regenboog zijn. ‘Piece of cake’ zal Trump [laten] scanderen. Als een Koptisch huwelijk in een Egyptische Moskee nog niet voor morgen is, agenderen jullie het dan in de uren na mijn begrafenis?
Willi Huyghe
[1] Mooijman Ruben – over o.m. Matthew Killingsworth – De Standaard 2024.07.23 – p.17.
______________________________________________________________________________________________
FEBRUARI 2024 – SOS HUISARTSEN?
Een Missie
Meer dan veertig jaar heb ik meegeleefd met een gedreven artsenpraktijk. Letterlijk in huis gehad.
Het zou enig recht van getuigenis kunnen geven. Onze lage drempel was een vrije keuze, met tot enige jaren geleden vast nog een open consultatie. Zonder afspraak, dus.
We behoren tot de fractie van onze voluntaristische generatie, die zich heeft afgezet tegen de pillen- en vijfminutengeneeskunde. Iedere patiënt kreeg alle ruimte die vereist was [wat zich vertaalde in langere wachttijden, die de patiënten vanuit een positieve invulling aan elkaar doorvertelden].
Dat de zorg voor de patiënten een behoorlijke impact gehad heeft op ons gezinsleven met opgroeiende dochter en zonen, is een eufemisme. Aan onafgebroken telefoon en aanbellen went men niet. Evenmin aan alle noodzakelijke (administratieve) opvolging bovenop de raadplegingen en huisbezoeken. We hebben dit wel nooit als een belasting ervaren. Het hoorde erbij. We zagen het als een voorspelbaar gevolg van een professionele levenskeuze, een passie, missie. Huisarts mogen zijn is een eer, een genoegen en een verrijking. In weinig andere professies is men deskundige vertrouwenspersoon op lange termijn. Van burn-out was hier tot de allerlaatste seconde geen sprake. Er was ook geen tijd voor.
Betere Werkomstandigheden
In vergelijking tot veertig jaar geleden bieden onze overheden jonge huisartsen behoorlijke extra-groeikansen. Toelagen voor o.m. onderhoud dossier [GMD], administratieve ondersteuning, [bij wijkgezondheidscentra] infrastructuur, vorming, telesecretariaat, preventiewerkers. Waar voorheen avond- en weekendwerk tot de vaste verwachtingen behoorden, is nu voorzien in een wachtdienst. Wat een luxe.
De praktijk diende zich dag na dag ‘uit het niets’ op te bouwen. Of uit weinig anders dan op basis van kennis, competentie, beschikbaarheid, betrokkenheid. Vandaag heet dit ‘arts van de oude stempel’.
Zou het enkel met de nostalgie van mijn leeftijd te maken hebben dat ik de grote noodklokken op een frontpagina deels erken maar niet zonder commentaar onderschrijf? De artsentekorten die zich in de nuchtere vaststelling tonen, ontgaan me niet [gemeenten, landelijke gebieden, nu weer de kust] en mag men duiden. De hiaten zijn niet zo nieuw als men ze nu declameert. Er is nooit een immens overschot aan artsen geweest. De spreiding kon altijd beter. Een grotere instroom is een kwalijke maatregel als die tot mindere kwaliteit leidt. Het is aan de overheden [van lokaal tot federaal] en aan de artsenkoepels om tijdig signalen te capteren en hiervoor in samenspraak organisatorische [anders dan financiële] oplossingen te bedenken.
De Afspraak
Wellicht ongelukkig gespiegeld aan de 570.000 vertrekkende reizigers in Zaventem voor de krokusvakantie, zint de klaagcultuur – niet zelden uitvergroot en geconfirmeerd door de sociale media – me minder. Al die mensen die dreigen onder de druk te bezwijken. Mijn aandacht richt zich op de ethische grondvesten, die het artsenberoep op exemplarische wijze aanspreken. Het is alarmerend dat men de maandenlange wachttijden in de ziekenhuizen en de geestelijke gezondheidszorg nog slechts sporadisch in vraag stelt. Nu duiken diezelfde wachttijden, naar Nederlands-Brits model, ook op als doembeeld voor de artsenpraktijken.
Is hier in de eerste plaats niet een dringende zelfbevraging nodig in alle medische rangen, inclusief de Orde van Artsen? Zowel bij praktijkwerkers als opleiders. Waar en waarom prononceert men de work-life-balans [maatschappelijk] zo sterk?
Van open raadplegingen naar een veralgemeend model van afspraken betekende een behoorlijke omslag. Terwijl best een gezond evenwicht mogelijk is, zette het ook de deur open voor een dienstverlening waarbij de arts het eigen comfort kan laten voorgaan op de noden van de patiënt.
Patiënt Centraal
In dat opzicht biedt de patiëntenstop een behoorlijke paradox. Ook die patiëntenstop raakt meer en meer ingeburgerd. Vooreerst is die afgrenzing eenzijdig door de praktijken afgekondigd. Er is geen democratisch overleg aan voorafgegaan. Er bestaan geen criteria voor. Ten tweede beargumenteren de betrokken artsen dit systeem als synoniem voor kwalitatieve zorg. Hun verklaring vertoont gebreken, zeker vanuit de medische deontologie. Net zo goed kan dergelijke afbakening synoniem staan voor afwijzing van patiënten, voor afbakening van medische [en meer complexe] zorgvragen, voor een wachtlijst om ingeschreven te raken, voor voorrang en discriminatie. Websites en systemen van online reservering van raadplegingen, werken ‘sorry, volgeboekt’ in de hand. Opgeteld bij een forse secretariaatsbuffering voor de telefonische aanvragen, laat het zich [niet] raden welke patiënten de grootste kans maken om [chronisch] in de wachtrij terecht te komen. Patiënten die mogen ‘blij’ zijn een arts van hun keuze te hebben mogen vinden zet onze ooit hooggeprezen Vlaamse kwaliteitszorg op zijn kop. Als huisartsen straks geen open tijd meer ‘kunnen’ voorzien voor [dringende] huisbezoeken, staat de spoed onder verhoogde druk [inclusief klachten over verhoogde agressie]. In een kwade droom zie ik een verschuiving van een medisch model naar een zakelijk efficiëntiemodel. De huisarts van negen tot vijf, met twee uur onbereikbaarheid tijdens de middagpauze, behoort dan tot de mogelijke overwegingen.
De huisarts, als zogenaamde paria onder de geneeskundigen, behoort niet tot de grootverdieners [dan had zij of hij wel een ander segment gekozen] maar is vandaag behoorlijk geremunereerd. Zoveel beter verzekerd dan in de beginjaren die de praktijk in onze woning kenmerkten. Met de toeslagen [waarvan sommige te weinig doordacht, te momentaan of met perverse effecten] heeft de overheid correct getracht aan reële financiële verzuchtingen tegemoet te komen. Hier in huis hebben die maatregelen nooit wezenlijk een verschil gemaakt op het engagement. Nog meer loon voor minder werk is nergens voor nodig. Sluitende [wettelijke] richtlijnen die het engagement zouden kaderen en veralgemenen zouden wel welkom geweest zijn. Ons is opgevallen dat ook meer en meer huisartsen, in navolging van specialisten, zich deconventioneren. Ze geven er een eigen uitleg aan, waaronder opnieuw kwaliteitszorg. Daarmee zetten ze de toon voor een geneeskunde op liberale leest, waarin niet alle patiënten gelijk zijn. ‘De patiënt centraal’ is veel meer dan een slogan.
Haro Waden
Huisman
______________________________________________________________________________________________
FEBRUARI 2024 – ONS KADASTRAAL BINNENKOMEN
In perspectief
Wij, vijfenveertig jaar jonger, vonden nog betaalbare en afbetaalbare woningen. In meerdere opzichten een mooie tijd vol verwachting. Met ook energiecrisis, verplichte autoloze zondagen wegens wereldwijde energiecrisis, GESKO en DAC-statuten, maar laten we het bij de woningen houden. Onze dochter, zonen en hun leeftijdsgenoten verdienen vandaag op hun jonge leeftijd meerdere veelvouden van wij toen, maar moeten al hun financiële zeilen bijzetten om zich een eigen woning te kunnen aanschaffen. Bizarre vooruitgang is dat.
Om in onze wonderjaren van toen een woning te zoeken doorkruisten we de stad en noteerden de adressen van leegstaande woningen of gebouwen die er onderkomen uitzagen [waaronder ook een wijkschooltje, een vroegere pastoorswoning, het vroegere bureel van een gemeentelijke administratie]. Met die adressen brachten we een vriendenbezoek aan de diensten van het kadaster. Een sacrale plek, waar we bibliotheekgewijs en met hulp van een bedreven ambtenaar in middeleeuwse registers van groot formaat de eigenaar van de genoteerde panden of gronden konden terugvinden. Daarna konden we met haar of hem in overleg gaan en een evenwichtige overeenkomst onderhandelen. Eenvoudig en correct.
Op die manier wonen we nu nog in het huis dat we toen kochten.
Wie zoekt vindt niet
In overeenstemming met onze gezegende leeftijd in de tegenwoordige tijd zochten we vorig jaar bedachtzaam een plek waar we samen nog ouder kunnen worden dan we al zijn. Op die manier zouden we meteen tegemoetkomen aan de uitgeschreeuwde woningnood in alle steden en plaats maken voor jonge gezinnen met kinderen.
Een eerste exploratie van de mogelijkheden die de ‘woonmarkt’ ons bood leerde dat we beter gewoon thuisbleven.
De prijzen voor nieuwbouw zijn belachelijk hoog. Bizarre vooruitgang, opnieuw.
Een paar ontsierende panden met jarenlange leegstand of verwaarlozing intrigeerden ons, vervolgens. Waarom geen renovatie overwegen?
En dus: het kadaster. Online, vandaag. Nog zo gemakkelijk. Vanuit wat men halfgaar de luie zetel noemt.
Toegankelijke informatie
Op basis van de genoteerde adressen leverde de zoekfunctie van de kadastrale website me indrukwekkende bovenzichten van woningen, tuinen, straten. Vervolgens was ik één stap verwijderd van een kennismaking met de eigenaar. Dacht ik.
De wet op de privacy was in deze context niet bij me opgekomen.
In algemene zin sympathiseren we met de intentie van onze overheden om ieders privacy te laten respecteren. In de concrete toepassing wisten we ons op die grond beschermd als het er om ging onze woning te verkopen.
Met regelmaat kregen we glanzende briefjes van makelaars in de bus die voortijdig polsten naar onze bereidheid om onze thuis voor verkoop aan de veilige handen van hun deskundigheid toe te vertrouwen. Tot zover. Het is hun goed recht.
We mochten het niet gedroomd hebben bovenop nog eens voortdurend private kooplustigen op de deurbel te horen toetsen, die onze ‘gegevens’ vlot online van het kadaster doorgestuurd hadden gekregen zonder onze toestemming.
Maar was dit in onze casus aan de orde? We bezorgden het kadaster adressen van leegstaande, ontsierende, bouwvallige panden die we op eigen kosten wilden renoveren om er zelf in te wonen.
De betrokken administratie wees me op het KB van 30.07.2018 dat de modaliteiten bepaalt voor het afleveren van kadastrale uittreksels en leerde me het woord colportage aan. In oorsprong gaat dit begrip terug tot deur aan deurverkoop [van artikelen of diensten].
Hoewel onze eventuele aankoop en verbouwing van een woning of appartement uit eerste hand enkel en alleen voor eigen nut bedoeld was, belandden we met onze colportage onder de categorie ‘commerciële doeleinden’. Om naam en adres van de eigenaar te bereiken, geliefde ik aan te tonen dat we óf werkten in opdracht van een openbare overheid óf over een wettelijke basis beschikten.
Curieuzeneus
Mijn leeftijd had mijn ongezonde nieuwsgierigheid allerminst aangetast. Door mijn administratieve ervaring was die zelfs gescherpt. De wettelijke basis intrigeerde. Wie beschikte daarover – anders dan wij – dan wèl? Wat waren de criteria?
De betrokken dienst somde me vriendelijk een behoorlijke lijst gerechtigden op. Meerdere daarvan leken me terecht en kon ik meteen thuisbrengen. Onder meer – dit zonder al te technisch te worden – persoonlijk recht, mede-eigendom, een administratieve procedure, strafrechtelijke opsporing, wetenschappelijke en statistische doeleinden, algemeen belang.
Andere criteria konden de proef van mijn gerede twijfel minder doorstaan. Wat te denken van ‘een nader te specificeren wettelijke of reglementaire verplichting’, ‘een zakelijk recht’, ‘voorwerp van een overeenkomst waarbij de aanvrager betrokken partij is, om te worden gebruikt door een openbare overheid […] wanneer de informatie noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van openbaar gezag’, ‘een door de aanvrager ingeroepen gerechtvaardigd belang’.
Subjectief aangevuurd door de afwijzing van onze vraag om kadastrale gegevens te kunnen raadplegen vroeg ik me af welke lading deze omschrijvingen dekten, waar ik hun definities kon vinden.
Nog meer van mijn oplettendheid wekte de lijst van beroepscategorieën die, naast de evident zwijgplichtige ambtenaren, eveneens tot de rechthebbenden op informatie behoren. Bankiers, notarissen, gerechtdeurwaarders, advocaten, economische beroepen, landmeters-experten, vastgoedmakelaars. De formulering ‘uit oogpunt van specifieke dossiers’ deed een fractie met de ogen knipperen.
Het is niet zo dat de toegang ongelimiteerd is. Een machtiging is nodig. Zo mag de landmeter enkel informatie verwerken die noodzakelijk is voor haar of zijn wettelijk gereglementeerd beroep. Wanneer de landmeter een opmeting doet in opdracht van een overheid, is een motivering – onder meer over haar bevoegdheid – van deze instantie vereist.
Verbintenissen
Mijn exploratie leerde dat men taken van openbaar belang die patrimoniumgegevens vereisen in een protocol giet.
In de protocollen kwam ik een reeks vaste klanten tegen, die vaak op ambtelijke basisinformatie over patrimonium uitwisselen. De Vlaamse lLandmaatschappij, Magda [Maximale Gegevensuitwisseling tussen Administraties, CSPI [Coördinatiestructuur voor patrimonium-informatie], de Société Wallonie du Logement ivm toewijzing van sociale woningen en verkoop van gronden. Ook om de bouwshift te realiseren maakte de Vlaamse Overheid een protocol. In dat verband dienen de gemeenten halfjaarlijks een register op te maken van onbebouwde percelen. Dit voor taken van openbaar belang of die deel uitmaken van de uitoefening van het openbaar gezag […] voor wetenschappelijke, statistische, historische of opvoedkundige doeleinden of voor een erkend algemeen belang zonder winstoogmerk.
Dit alles oogde geruststellend transparant. Het behoort tot de taken van overheden om informatie en informatie-uitwisseling te reguleren en te stroomlijnen.
De immense massa aan patrimoniale informatie die op die manier dagelijks passeert riep dan wel weer mijn bedenkingen op. Het is vrijwel onmogelijk de vertrouwelijkheid sluitend te maken. Veel richtlijnen blijven ook algemeen, vaag en juridisch ongedefinieerd. Er rest veel ruimte voor interpretatie. Een begrip als ‘openbaar gezag’ vond ik bijzonder rekbaar.
Er passeert niet enkel een heleboel informatie. Die informatie passeert ook een hele reeks derden. Zo is er bijvoorbeeld de Capakey Rest Service die ontwikkelaars toelaat om kadastrale informatie trapsgewijs en hiërachisch op te vragen. Ontwikkelaars. Wel wel.
Toegang tot de kluis
In deze bedenkingen vind ik in het heden de aanleiding tot het schrijven van dit artikel terug. We begrepen ten volle de grond op basis waarvan ons als particulier de toegang tot kadastrale gegevens geweigerd werd. Daartegenover moesten we vaststellen dat enige maanden tot jaren later de panden waarvoor we belangstelling hadden getoond in de steigers stonden met een vastgoedontwikkelaar als bouwheer. Met een bredere kijk hebben we het aankijken tegen een ononderbroken bouwwoede. De hoogtekranen zijn vast deel geworden van het landschap. Zoveel ijver ten dienste van het algemeen belang en de woningnood. Al of niet beursgenoteerde maatschappijen poten vlot omvangrijke, prestigieuze projecten en appartementscomplexen neer. Hier 50 appartementen. Daar een torengebouw. Ginds 300 appartementen in het groen met meer verharding dan goed is voor het groen. Hoe doen zij dat toch?
Dociel of goedgeloving zouden we onszelf niet noemen. We gedogen. Ook vanuit het nuchtere besef dat investeringen van die omvang ons bereik en onze interesse overstijgen. We laten dit graag aan anderen en beteren over. Ondertussen bewaken we wel mee dat ook die anderen hun elementaire burgerplicht blijven nakomen. Dit als bijdrage tot het laten werken van een faire democratische samenleving.
Meermaals moeten we vaststellen dat we in het respecteren van spelregels – na het kritisch bevragen ervan – te vaak zowel op links als rechts voorbijgestoken worden.
De hoogtekranen, de vlotte bouwvergunningen en het klagend achternahollen van de sociale inspectie als het op arbeidsovereenkomsten aankomt, maken duidelijk dat ‘in de bouw’ ziekmakend veel geld te verdienen valt. Met een beetje zin voor corporatieve zin en bundeling van kapitaal lonkt immense winst voor een beperkte exclusieve club.
De projectontwikkelaars, zeker met een stamboom, kunnen op een breed netwerk terugvallen, op invloed, deskundigen, juristen, prospectoren, lobbyisten, ijverige en loyale medewerkers. Dit in de economische feiten [het complotdenken ben ik al tijdens mijn puberteit ontgroeid].
Factcheck
Uit een kleurrijke variëteit aan geschiedenissen, anekdotes, documentaires en rechtzaken mag ik onthouden dat heiligen in geldzaken eerder zeldzaam zijn. Het winstprincipe vormt een aliënatie op zich. Elementaire ethiek is niet de spontane eerste afweging bij de bewoners van dit pecuniaire eiland. Het vereenvoudigt hun denken en handelen aanzienlijk. Minder overtollige woorden, meer doelgericht, daadkrachtiger. Al snel plaatsen ze hun eigen gezonde pragmatiek tegenover de wereldvreemde soort die zich principieel-moeilijk opstelt. Met die laatste mentaliteit maakt men geen vrienden.
Het wendbare, vluchtige gesproken woord biedt een uitweg voor de geschreven dode letter op papier. In een gesprek onder slimmige vrienden is een afwijking bij of hiaat in een niet helemaal sluitende wettelijke basis zo gevonden. De plannen B en C zijn al bedacht. ‘Ik had zonet nog Midas aan de lijn.’
Opnieuw is er niets mis met informele mondelinge gedachtewisselingen, zolang deze geen parallelle agenda gaan uitmaken waarbij men in eigen voordeel gebruik maakt van figuren die macht, autoriteit en geld vertegenwoordigen en die erin slagen zich in de marge van de wet te plaatsen.
Dat de wereld nu eenmaal aan de Rappen is, zou ‘van alle tijden’ zijn. Misschien wel. De Rappen tonen initiatief.
De tastbare stenen resultaten die de bouwers onder hen neerzetten verdienen meer krediet dan de insinuatie van achterkamers en wandelgangen.
Als we dit gegunde krediet formeel vertalen, kunnen we terugvallen op de rechtsstaat, via haar correctiemechanismen. Parlement, justitie, persvrijheid, syndicale inzet, sociale controle (vandaag verrijkt en verschraald door sociale media).
Met de veelheid aan informatie en de toegang tot de ruimst mogelijke bronnen, zouden we het ‘van alle tijden’ met zijn allen in 2024 systematisch hebben kunnen reduceren. Dit is niet gelukt. Het is vechten tegen een hardnekkige indruk van negatief hellende liberalisering.
Hoewel de weldenkende burgers de grote meerderheid vertegenwoordigen of uitmaken, lijken ze vaker het nakijken te hebben dan hen lief is. Met hun bedachtzaamheid lopen ze te vaak naar hun zin achter de beslissingen aan. Het sentiment is samen te vatten in een innerlijke overweging als ‘Raar. Hoe en waar zou dit beslist zijn?’
Vooruitgangsdenken
De scheidingslijn tussen publiek en privaat is het favoriete speelterrein van de lokale, regionale of federale politicus.
Over wat algemeen belang precies inhoudt bestaat geen consensus. Moet het natuur- en duinengebied in De Panne omwille van zes wandelaars, vier paarden en een paar verkromde takken gered worden ten koste van ruime gemeentelijke inkomsten uit lelijke nieuwbouw? Kwaliteitsvolle en vooral brandveilige studentenwoningen noemen sommige belanghebbenden een dwingend maatschappelijk belang. En dus rijst voor deze doelgroep de ene studentenhoogbouw na de andere uit diverse gronden, vlak bij de onderscheiden campussen. En dus wordt na enige tijd €500 voor een studio [verdacht snel] de ‘evidente’ minimumprijs. Een ‘normale’ prijs voor wie van huize uit begoed is en aan die ‘normaliteit’ medeplichtig is, zich misschien wel onderscheidend gevleid weet [‘wij kunnen dit nu eenmaal betalen’]. Te hoog voor wie studie en werken moet combineren, een gegeven dat zich bovendien negatief op studieresultaten kan vertalen. Tegen iedere vlotte prediking in over de democratisering van het hoger onderwijs.
Ook de burger is niet vrij van vijfdubbele standaards, neen. Voetbalminnende Gentenaars zijn trots op ‘hun’ Ghelamco en willen niet weten of alles volgens het boekje gelopen is.
In een overwinningsroes roept de Antwerpse supporter, letterlijk zonder kennis van zaken, ‘heks’ tegen de rechtmatige mede-eigenaar van het stadion. ‘Onder de pletwals, dat mens.’
De klad zit in de correctiemechanismen van de rechtsstaat. Men keert zich af, polariseert, is moe of het moe.
Af en toe vinden journalisten een scoop en lichten ze scherpzinnig en goed gedocumenteerd onregelmatigheden in de besluitvorming uit de schimmigheid. Na enige weken of maanden van spanning, waait het woestijnzand van de tijd er overheen.
Als de pen van de journalist over de relevante dossiers niet meer schrijft en ondertussen een nieuwe scoop gevonden heeft, houden de megastallen stand en is een buurtcomité nodig om de zaak opnieuw op de publieke agenda te plaatsen.
De burger als ultieme toezichthouder? Tal van moeders en vaders halen namens hun gezin van de toekomst de schouders op. Ze willen vergeten. Daartoe maken ze hun hoofd leeg, tellen ze woekerbedragen neer in het sportpaleis, reizen ze zo exotisch ver mogelijk of zoeken ze de kerstmarkt op voor schnaps en smoutebollen. Gezelligheid first.
De weg kennen
Het overheidsantwoord op een burgerlijke vraag over kadastrale gegevens kent een bochtig traject langsheen diensten en personen. Hoe sluitend is deze procedure? Is het voor sommigen mogelijk zichzelf en anderen onderweg met enige voorkennis te bevoorraden?
Die voorkennis is delicaat. In de randartikels van onze kranten en tijdschriften tonen zich een reeks namen van politici in kleine gemeenten, die ervan verdacht zijn of geweest er gebruik van gemaakt te hebben om persoonlijke belangen te dienen. Ook bij die zogenaamd kleine garnalen die zich kromtrekken in onschuld circuleren bedragen van vlotte verrijking die boven €450000 gaan. Onzuivere winst van een iets meer snode orde dan een toegeknepen oog bij het toegeknepen oogje voor een bouwovertreding ‘die toch niemand merkt’. Het toekennen van een openbare aanbesteding aan bevriende of zelfs familiale vastgoedkantoren is bestaande praktijk. Terwijl de overheid verharding van voortuinen bestrijdt, hagelt het innovatieve bouwprojecten van 150 appartementen en meer ‘in het groen’, waarbij de paar struiken van het doorzichtige binnenparkje de aanzienlijke verharding rondom moet vergoelijken.
In de relevante reeks die De Standaard over onze kustlijn publiceerde viel de verzuchting van de huidige burgemeester van De Haan op. Zo te lezen een man van eer. ‘Dan krijg je grote bouwdossiers binnen, waarvoor de promotor hier binnenstapt met zes mensen, met zijn architect en een bedrijfsjurist. En dan zit je daar met uw ene ambtenaar.’
In de verlengingen van het postmodernisme is dit uiteraard maar één verzuchting naast veel andere. Je kan er minstens negen verklaringen naast plaatsen, die ook coherent én naar waarheid klinken. Die van de promotor, haar of zijn zes belanghebbenden of deskundige medewerkers met een contract van onbepaalde duur, de architect en de bedrijfsjurist.
Die professioneel zeeën van geduld hebben en niet zullen rusten. Naast deze ene burgemeester staan tien andere assertief lachende ambtsgenoten aan dezelfde Vlaamse kust met elk hun eigen kijk en argumentatie.
Mag ik als voorzichtige werkhypothese formuleren dat de promotor koopt, bouwt, verkoopt van zodra zij de minste opening krijgt om dat te doen? Net als de tendentieuze werkhypothese dat de kleine garnalen aan burgemeesters en ambtenaren die zich in regionale kranten hebben laten verdacht tot belachelijk maken, niet de eersten van de klas waren. Politici met enige allure en overheidsmanagers poseren openlijk op de foto – waarom niet hand in hand met bouwbaron en en aannemer – bij prestigieuze bouwprojecten ten behoeve van ‘hun’ stad.
De onderzoeksjournalist kan zich aan die laatsten beter niet wagen, wil zij of hij niet op grond van te veel gratuite fantasie op de brandstapel van hoon en spot eindigen. Sommige invloedrijke gezagsdragers en captains zijn te onaantastbaar om in fouten, gebrek aan integriteit, manke dossierkennis te tuinen.
Als gezegd: het geeft de brave burger het nakijken.
Alleen is maar Alleen
Zoveel tekst. Naar aanleiding van een anekdotische – eventueel exemplarische – afwijzing van inzage in kadastrale gegevens van één echtpaar, dat zich maar meteen een soort burgerlijke partij waant. Een afwijzing die mevrouw en mijnheer, mits aandachtige lezing van de wet en de website en mits het stellen van de juiste vraag, eventueel hadden kunnen vermijden of handig omzeilen. De wakkere burgers worden geacht de wet te kennen nog vóór die geschreven is.
De kans is inderdaad reëel dat we gewoon slechte verliezers zijn, dat ik Alles geheel fout geïnterpreteerd heb, dat ik komma’s en punten door elkaar gehaspeld heb. Resultaat van mijn gevorderde leeftijd en aangeboren achterdocht of angst voor het onbekende.
Dan nog – met de toegang tot het kadaster als inzet – houd ik mijn bewering staande dat ik ons als burgers dubbel gediscrimineerd wist.
Ten eerste moesten we het allemaal in ons eentje uitzoeken. Bouwpromotoren beschikken over een arsenaal aan middelen om zich te informeren en om hun belangen te dienen. Dat wij in de administratieve en juridische ophoping onze kluts kwijtraakten, hadden we aan onszelf te danken. Het ontbrak ons – als barslechte gamers – aan energie en gespecialiseerde kennis om alle wegversperringen te ruimen op weg naar de bron.
Ten tweede, flagranter, werd ons op formele grond en formeel de toegang tot de informatie ontzegd, terwijl de bouwpromotoren vooral open deuren ontmoeten of er door invloed in slagen die deuren open te wrikken. Hoe anders zouden ze zo omnipotent te pas en te onpas kunnen bouwen?
Ook wat volgt is herhaling. Dat de kadastrale administratie onze vraag naar een paar namen, [mail]adressen en eventueel telefoonnummers ingegeven achtte door commerciële – dus winstgerichte – motieven, terwijl we enkel voor onze nog oudere en oudste dagen een bescheiden woning zochten waarin we zo lang als mogelijk zelfstandig zouden kunnen leven.
De bouwpromotoren en hun aandeelhouders daarentegen zouden dan enkel sociale doelen dienen die de gehele samenleving ten goede komen. Er hangt ons vooringenomenheid boven het hoofd als we in die verhouding enige scheefgroei, een structureel probleem, een dubbele moraal, een terugkerende ongelijke behandeling zouden durven zien.
Op zoek naar structurele oplossingen en het rechttrekken van wat we in ons kadastraal avontuur als incorrect hebben beleefd, plaats ik dit thema op de politieke agenda. We kunnen het er snel over eens zijn dat leegstand, laks patrimoniumbeheer en verwaarloosde woningen de gemeenten en steden ontsieren. Gekoppeld aan de chronische woningnood, poneer ik dat de particulier, de burger even vakkundig als de nu bevoorrechte bouwmaatschappijen kan bijdragen tot het opleven van kwalitatieve bewoning en van het straatbeeld. Mits vlotte [zij het blijvend gereglementeerde] toegang tot de noodzakelijke kadastrale informatie, is die burger beslist ook bereid daartoe de nodige investeringen te doen. Onze overheden mogen er zich terdege van bewust zijn dat leegstand een opgemerkte kwaal is. Langdurige leegstand is misbruik van ruimte, waarmee beleidswerkers best korte metten maken. Het na waarschuwing vrijgeven van gegevens aan burgers die aankoop- en renovatieinteresse tonen kan beslist een frisse kapitaalinjectie in de bouw opleveren die gezond en democratiserend concurreert met een gangbare machtsconcentratie.
Haro Waden en Willi Huyghe
Eveneens gepubliceerd in De Wereld Morgen
_____________________________________________________________________________________________
NOVEMBER 2023 – MISSEN WIJ – BIB – HIER IETS?
CD EN DVD ALS ERFGOED
Ethiek en zin voor verhouding mogen ons nooit vreemd worden. Alle verdwaasde moord en doodslag in de wereld waarin we vandaag te leven hebben, maken dat de stoelwisselingen bij VLD of de voorspelbare lijsttrekkers bij de voormalige SP onze koude kleren niet raken. De trieste macht van de inner circle, ver weg van het algemeen belang. Zolang weinigen zich zorgen blijven maken over de opgetelde schulden van onze natie en haar deelstaten, trekken we misschien onze wenkbrauwen nog op voor de schaduw van het stikstofdecreet. ‘Het is nu echt niet moeilijk om het kleine te relativeren’ schreef een vriend pertinent.
Diep van dit bewustzijn doordrongen, laat ik me in deze bijdrage in met – eh – de openbare bibliotheek. Omdat dit marginale belang, deel van een volkscultuur, al een respectabele tijd stof vergaart in mijn schuif en ik het kwijt wil voor mijn vergeten me inhaalt.
Niet meer dan een voetnoot. Eventueel een memo voor een eventuele komkommertijd.
Kinderlijke verwondering
Sinds geruime tijd kijkt deze zeventiger in iedere gemeente en stad aan tegen een ‘BIB’. Zijn ogen willen niet meer wennen aan de ontwaarding van zijn taal. Straks moet de bibliothecaris zichzelf Bibber noemen. Tot daar. We kijken tegen veel ergere kwesties aan.
Mijn regelmatige bezoeken aan de Gentse Krook zijn onder meer het gevolg van de val van het Romeinse videothekenrijk. Zelf ruim van boeken, CD’s en vinyl voorzien, zocht ik er in de eerste plaats deugdelijke films.
De uitgebreide CD-collectie in de mediatheek was mooi meegenomen. Met DVD en CD binnen handbereik kreeg ik een rijkdom aan exploratiemogelijkheid aangeboden. Wel was het voor deze goede huisvader even wennen. Het publiek van de Krook had ik ingeschat als plichtbewust en zorgzaam. Bijna werd ik nostalgisch naar de medewerkers van de videotheek die bij terugbrengen met ingebeelde witte handschoenen voor- en achterzijde van iedere DVD bestudeerden. In de openbare uitleendienst waren krassen, duimen, vetvlekken, beschadigingen van hoezen haast evident. Soms moest ik schaamteloos, asociaal gedrag ondergaan. Hadden mijn voorgangers-leners hun CD’s en DVD’s naar de hond gegooid of in de keuken naast de snijplank laten liggen? Snel terug naar mijn BIB, die ik bezwaarlijk voor alle misbruik verantwoordelijk kon stellen, want nergens werd ik beter in staat gesteld om bvb voor één kunstenaar [auteur, muzikant, regisseur e.a.] de veelheid aan productie kwalitatief te vergelijken.
Vraaggestuurd
Bij mijn laatste culturele sprokkelronde stelde ik vast dat rijen CD’s verdwenen waren. Bij navraag bleek meer aan de hand te zijn dan een opfrissing van het bestand. ‘Er is geen vraag meer naar’ kreeg ik aimabel te horen.
De [vast]stelling van de baliemedewerker kreeg ik naderhand bevestigd in een vriendelijke antwoordbrief. ‘De bibliotheek verandert op maat van de samenleving en past zich aan aan de noden van de Gentenaars.’
Mijn generatie dino’s bleek de laatste te zijn die nog over een CD-speler beschikte. In cijfers uitgedrukt was het aantal ontleningen het voorbije decennium van 25.000 per maand gedaald naar 5.500. Naast die cijfers kon zelfs mijn hardleerse ik niet kijken. En jawel, daar speelde het beperkte budget opnieuw, de inzet van mensen en middelen, het maken van keuzen.
Rest mij het argument van de culturele archiefwaarde.
Met elk bestand dat mediatheek én overheid zacht laten uitdoven of hard laten verdwijnen creëren ze een hiaat in de mogelijkheden voor de ‘gebruiker’ tot vrije verkenning van wat aan vroegere en actuele muzikale en filmische creatie voorhanden is, tot kennisneming van ongekend gebied. Dit in de rust van de huis- of werkkamer. Niet enkel de eigen individuele vraag gidst het zoeken, in casu ook het ruime, veelkleurige assortiment en de brede mogelijkheden tot ontlening.
Aankoopbeleid
Overheen jaren had ik kunnen betrouwen op een gericht aankoopbeleid bij de bibliothecaris, met surplus-kennis van zaken [historische waarde, aantrekkelijke randgebieden] en oog voor vernieuwing. Zowel voor muziek als film kon ik [vrijwel uitsluitend] dankzij de openbare mediatheek kennis maken met uitzonderlijke en ongekende parels. In rijke en veelkleurige cultuur- en taalgebieden, ver weg van het angelsaksische materiaal. Film- en muziekparels in zwart wit, van Argentinië overheen Bulgarije naar Ijsland. Met dank aan het aanbod.
Aanvullend waren/zijn we ook een letterlijke klant van Netflix en haar betalende, in aantal [!] uitdeinende, zusjes. Hun cultureel beperkt en middenmoterig pakket blijft hun meest opvallende kenmerk. Voor wie smalend het label ‘meerwaardezoeker’ heeft meegekregen gaat dit wereldwijde marktje snel vervelen.
Eilanden en archieven als de bibliotheek en mediatheek, gedragen door experts in hun vakgebied, blijven een absolute noodzaak in een landschap dat steeds indringender gedirigeerd wordt door de inhoudelijk armtierige koopkracht.
Trends
Wat mijn vriendelijke correspondent van de Krook met haar – onmiddellijk herkende – ‘ontwikkeling van de collectieve muzikale interesse’ schetste, zet zich net zo goed door voor lectuur, ooit het evidente boegbeeld van de bibliotheek.
Met onze generatiegenoten [hoffelijk ‘ouderen’ genoemd] krijgen we meer dan ons lief is alarmerende berichten over ontlezing, over een boekenvak in economische verdrukking.
Zou het, gezien die actualiteit en die ontwikkeling, dan niet een verstandige beleidsmaatregel zijn om de bibliotheken af te schaffen, gezien ze niet meer aan een nood beantwoorden?
In één beweging kunnen CEO en Raad van Bestuur van de VRT daadkrachtig uitpakken met een verfrissend wegrationaliseren van Klara, wegens nog enkel beluisterd door een – onvermijdelijk elitaire – minderheid.
Behoudsgezinde Reflex
In herhaling of synthese gaat het me om het blijven voorzien in plekken waar het cultureel patrimonium op een toegankelijke manier te vinden is. Overheen generaties, ontdaan van de waan van de dag. Dat – ik houd het even bij de muziek – jonge mensen vinyl herontdekt hebben, kan een levendig pleidooi zijn voor deze redenering.
De huidige over- en subspecialisatie creëert aan hoge snelheid selecte vindplaatsen voor informatie waar de haastzoekers terecht kunnen. Met oog op een helende generalistische kijk mogen de overheden daartegenover best een laagdrempelige algemene collectie blijven ondersteunen. Fysiek en digitaal. Het is een terugkerende vertelling: hoe bij velen de scherpzinnige interesse aangewakkerd is geweest via [o.m.] de bibliotheek én haar bibliothecaris. Ver weg van statistiek en registratie, deze twee nieuwe kathedralen van valse waarheid waarop managers van het kortgeknipte denken hun ontluizende beslissingen motiveren.
De keuzen aan tijd, middelen en personeel kunnen op nuttige wijze gestoeld zijn op gedreven deskundigheid in de samenstelling van/klantgerichte informatie over de collectie. De algemeen geprezen én commercieel overlevende boekhandels zetten vooral niet enkel in op het nieuwste lijstje aan bestsellers, maar hanteren een eigen kwalitatieve norm, die tijdloos is.
Als het dan op het gelijk gebleven budget aankomt en de noodzaak van het maken van keuzen, durf ik me – als ooit sociale ondernemer – een ervaringsdeskundige noemen. Een verhoogd budget geeft niet de minste garantie voor juiste beleidskeuzen en betere dienstverlening [het tegendeel is vaker waar dan me lief is]. Het bieden van kwaliteit is resultaat van inventiviteit, een gedeelde vonk en ambitie.
Een afficherend huis als De Krook [in deze bijdrage exemplarisch voor alle grotere openbare bibliotheken] beschikt over alle troeven om op permanente basis een gericht en klantgericht aankoop- en PR-beleid te voeren en, zo nodig, anticiperend de betrokken overheden aan te sporen tot het dichten van hiaten [dit aansporen gaat véél verder dan het slappe ‘signaleren’].
Waarmee ik mijn zoveelste punt gemaakt heb en voor de sterren geschreven.
Willi Huyghe
[Eveneens gepubliceerd in De Wereld Morgen]
JANUARI 2023 – EEN DAG UIT HET LEVEN VAN EEN TREINREIZIGER [NAAR WAARHEID]
Mijn even lucide als broze vierennegentigjarige moeder gelooft mij, haar straks zeventigjarige zoon met een gekwalificeerde organisatiezin, niet meer. Zij verblijft in een Woon- en Zorgcentrum in Boechout. In kilometers uitgedrukt is de afstand voor een prijsduif vanuit Gent-Centrum een zucht.
Mijn persoonlijk record met de wagen is drie uur. Die dag heb ik me gered met een bètablokker. Moeder cultiveert haar sterkste twijfels over mijn uitleg over bottlenecks in Kruibeke en Mortsel, vrachtwagenkonvooien of Ten Miles in Antwerpen. En of er geen Vlaams woord bestaat voor bottleneck.
Drie weken geleden maakte ik de resolute keuze voor het openbaar vervoer. De opgetelde websites van onze nationale spoorwegmaatschappij en De Lijn hadden me – in hun uitstraling van welzijn en geluk – verzekerd dat het overbruggen van genoemde afstand me maximaal één uur en een kwartier zou kosten. Omdat mijn geliefde en ik ’s avonds in Gent om 20.00u een concert zouden bijwonen, telefoneerde ik moeder met de boodschap dat ze me deze maal twee uur eerder kon verwachten en ik iets meer op mijn vertrektijd zou staan ’s avonds.
Om 11.45u bevond ik me aan de tramhalte aan het Gravensteen. Na instappen liet mijn tienrittenkaart me in de steek. Wat was dat een jaar geleden handig, op de kaart kunnen aflezen hoeveel ritten ik nog te goed had. De in de digitale wereld fel verbeterde nieuwe kaart blijft na iedere benutting maagdelijk wit. In de tram zelf wordt de reiziger beloond met een vink of gestraft door een diagonaal rood kruis. Het rode kruis was mijn lot en ik had niet eens een alternatief – ‘een tweede kaart is toch evident, mijnheer’ – bij de hand. Enkel nog een onbruikbare kaart met een tegoed van €9,80. Zeventigers kennen nog een schaamtegevoel als het op zwartrijden aankomt.
In Gent-Sint-Pieters kon ik lezen dat de trein richting Antwerpen 14 minuten vertraging had. Daar kwamen vervolgens 11 minuten bij. Het liet me tijd om het vlakbij gelegen kantoor van De Lijn op te zoeken en de kwestie van de tramkaart te regelen. Dit kantoor was uitzonderlijk gesloten.
Terug naar de vertrekhal. Mijn stappenteller was er blij mee.
Trein 1 was ondertussen vertraagd tot na de volgende trein, die zowaar mooi op tijd het station binnenreed. Deze reiziger installeerde zich. Jas uit, rugzak bovenaan getast, tijdschrift in de hand. Het spinnen kon beginnen. Een stem ver weg op de perrons gaf een instructie die andere sardienen in mijn omgeving vloekend de uitgang deden opzoeken. Mond aan mond werd ongemaskerd doorverteld dat het treinstel tot drie in plaats van zes wagons zou beperkt blijven.
De zittenden trof het gevoel afgekoppeld te worden.
Dan maar het andere perron geprobeerd waar de eerdere trein in lucht was opgegaan.
Op naar de daaropvolgende.
In mijn hete, bètablokkervrije hoofd was de aansluiting in Berchem naar Boechout die ik genoteerd had dan al een abstractie geworden.
Die abstractie werd bijzonder concreet toen bleek dat vervolgens ook in Berchem de trein naar Boechout een onvoorziene vertraging opgelopen had. De luidsprekers gaven ons een galmende toelichting. De treinbestuurder van onze trein was met een andere trein vertraagd aangekomen in Antwerpen-Centraal en had moeten lopen om onze trein te kunnen besturen. Hij was niet gestruikeld over de tool die zijn organisatie automatisch voor hem regelde.
Trein en Tram hadden mijn record met de wagen met een half uur scherper gesteld Om kwart na drie keek moeder met onbegrip naar de taart met te harde bodem die ik onderweg gekocht had. Zou ik deze maal niet vroeger gekomen zijn? Kon dat wel, van kwart voor twaalf tot kwart na drie? Was er geen leugen of onwil mee gemoeid? In een vroeger van vroegere tijden stond de zoon op een uur bij moeder. Een prijsduif in minder dan drie kwartier. Kon ik me dat nog herinneren?
Hoeveel tijd restte nog om wat bij te praten? Een uur en drie kwartier, moederke.
Ons bijpraten had een kwartier langer kunnen duren. De trein vanuit Boechout richting Berchem had immers aanvankelijk elf, dan veertien en even later een onbestemd getal boven de vijftien minuten vertraging. De aansluiting in Berchem richting Gent zou niet meer lukken, maar vrij snel kondigde de galmende speaker een uitzonderlijk treinstel richting De Panne aan. Amper een tiental minuten later.
Met zicht op zee mocht ik op het dichtbevolkte perron vernemen dat de trein richting De Panne tot drie wagons zou beperkt worden in plaats van de gebruikelijke zes. De déjà entendu van de dag.
Mijn wachtende geliefde en het avondconcert motiveerden me om me deze maal iets minder overbeleefd dan gebruikelijk door de deur van één van de drie wagons te drummen. In de stem van de treinbegeleider hoorde ik Een Mens. Mevrouw verontschuldigde zich indirect. Door haar toelichting dat het reduceren tot drie wagons zich ‘helaas niet voor het eerst’ voordeed, ging ze wellicht haar boekje te buiten en wachtte haar een negatieve evaluatie. Het zijn De Mensen die moe worden.
Voor zover mijn artroseknieën me toelieten kon ik bij aankomst in Gent omstreeks 19.04u een spurtje inzetten naar het vertrouwde perron voor tram 1. Omdat ik niet van deze schermtijd ben, trof ik dit perron in de donkerte verdacht leeg aan. De display verwees me zonder verdere aanwijzing naar perron 18. Perron 18? Perron 18? Mijn tijd gleed. Een sterk vermoeden – eens scout, altijd scout – dreef me terecht terug naar de overbevolkte gewijzigde startplek voor tram 1 aan de logische uitgang van Sint-Pieters. Daar kreeg ik melding over zes tramtijden voor de onmiddellijke toekomst. Rijdt niet. Rijdt niet. Rijdt niet. Rijdt niet. Rijdt niet. Geen gegevens bekend. Eén tram wekte de indruk te zullen rijden. Om 19.09u. Zonder indicatie over het universum waar die zich onderweg bevond. Displays doen ook maar hun werk.
Omstreeks 19.22u bevond ik me aan halte Gravensteen. Mijn geliefde en ik hebben staande geavondmaald. Haar suggestie om bij de NMBS de financiële compensatie te vragen waarop ik recht had, deed me net niet naar mijn uitgeputte keel grijpen.
Met de fiets haalden we vijf minuten voor aanvang het concert in de Bijloke. Voor een programmabrochure restte geen tijd meer. Componist Skjrabin leverde me boem paukenslag. De ene extase stuwde de volgende opwaarts. Een Rus. Ook daarover had ik beter moeten nadenken.
Haro Waden
26 SEPTEMBER 2022 [ACTUALISATIE 27 DECEMBER 2022]:
DE DODE HOEK VAN DE JEUGDHULP
[Focus Keyphrase: Bijzondere Jeugdhulp – Integrale Jeugdhulp in 2022]
Ooit was ikzelf een lastige puber van liefhebbende, hardwerkende middenklasse-ouders. Mijn donquichotteske exploratie deed me professioneel landen bij het sociale werkveld. ‘Extreem moeilijk opvoedbare jongeren’ had ik in een brochure gelezen.
Voor minder uitdaging deed ik het niet. Soort zocht soort.Wist ik veel waarmee ik vanaf mijn eerste werkweek te maken zou krijgen. ‘Heb jij dan nooit gestolen?’ treiterde een jongen me met zijn zakken vol snoep die hij uit een winkel gejat had.
Ik moest nadenken. ‘Neen’ kon ik haast beschaamd toegeven. Het moeilijkste moest nog komen: hem de winkel terug binnen sturen, hem laten bekennen, het snoepgoed laten teruggeven en zich verontschuldigen. De jongen, zestien en breedgeschouderd. Twaalf eensgezinde bendeleden van hetzelfde slag. Ik, een eenentwintigjarige graatmagere scout.
Kinderen die haten
Wie een paar jaar geleden beweerde dat het begeleiden van jongeren steeds lastiger werd, klasseerde ik onder onwetend. Behoorlijk confronterend was dat, zo’n leefgroep met dertig [jawel] in één lokaal van kale muren met één televisie en twee slaapzalen. Vlaams- en Franstalig.
Dreigen, liegen, stelen, op de vuist gaan, beschadigen, tieren, intriges, intimidatie, bendevorming, ontsnappen, naar een schaar grijpen, de wet van de sterkste, met eten gooien.
Meest indringend: de voortdurende agressie, manifest en latent. Altijd kon in een uithoek van de leefgroep een brand uitslaan.
Hoe overleven? Hoe ermee omgaan? Hoe zou mijn moraliteit hier uitkomen?
Mijn kracht: ik was geen opgever. Mijn steun: die zogeheten delinquenten hadden mijn gemoed gestolen.
Ze lieten me lachen, verbaasden me, zorgden ervoor dat ik hen te slim af was.
De uitdaging die ik gezocht had. Ze brachten me relativerende bescheidenheid bij, bevrijdden me van mijn middenklasse-hoogmoed, mijn ‘weten’, mijn klaarstaand oordeel. Daardoor kreeg ik toegang tot hun defensieve burcht.
Naarmate mijn professionele tijd vorderde zocht ik steeds gerichter de gevarenzone op.
De jongeren die men als restgroep gedumpt had. De allermoeilijksten.
Een waslijst ‘feiten’, twaalf keer wegens ‘onhandelbaar’ de deur gewezen, vijf scholen gepasseerd, tientallen ‘laatste kansen’, de jeugdrechter, bedreiging of diefstal met geweld, Beernem of Mol, chronisch spijbelen, werk kwijt na twee weken.
Een allegaartje, bij wie oorzaak en gevolg op elkaar kleefden. Een dossier als een telefoonboek. Verslagen waarin specialisten inzichten noteerden die nauwgezet tegenstrijdig waren. Was het, ook verstandelijk, niet willen of niet kunnen? ‘Kinderen die Haten’ noemden Redl en Wineman hen bijzonder treffend. Lang geleden.
De dode hoek van de Bijzondere Jeugdzorg werd in onze leefgroep haarscherp duidelijk.
De [jeugd]politie, de kinderpsychiatrie, de centra voor geestelijke gezondheid, de diensten voor personen met een beperking en de sociale scholen tastten in het duister. De overheid wist van toeten.
Eens ‘geplaatst’ was het Aan Ons.
Onze voorziening was sectoraal negatief gesitueerd als ‘criteria- en drempelloos’.
Een vuilnisbak.
Met de opvoederséquipe beslisten we om van die laagste drempel onze sterke kant te maken.
‘Laat maar komen’ propageerden we.
Vandaag zou men deze opstelling ‘onvoorwaardelijke acceptatie van de hulpvrager en haar of zijn hulpvraag’ noemen, maar wie door de jeugdrechter geplaatst werd was geen hulpvrager en niet van onze hulp gediend.
Hun nood was des te urgenter. Later kon ‘blijf met uw poten van mijn lijf’ doorgaan voor een ‘niet-geëxpliciteerde hulpvraag.’
Kijk eens aan.
Het Nest
De verslagen die we lazen beschreven hun zieke of afwezige thuissituatie. Wat de jongere in de leefgroep uitleefde was resultante, product, reproductie. Ieder van hen had een nest. Desnoods ingebeeld.
Om hun voortdurende woede-op-alles te begrijpen, moest ik dichter bij bronnen komen. Mijn eerste bron was ikzelf. Nagaan welk wangedrag ikzelf zou stellen als men mij existentieel aan mijn lot zou overgelaten hebben.
Die inleving hielp. In een documentaire over Johnny Halliday figureerde zijn niet-vader, een zielenpoot op leeftijd. Zijn zus genoot het voorrecht zijn zoontje van zeven maanden opgezadeld te krijgen.
’Laat je kind niet achter. Zorg ervoor’ had zijn zus geprobeerd.
‘Mijn zoon laat me onverschillig. Ik wens hem het beste maar het kan me verder niet schelen’ rondde de man het interview af.
Nul spijt. Het slag dat ik talloze malen moest ontmoeten. Tijdens zijn legerdienst kreeg beroemde Johnny onverwacht bezoek van vader. Met een teddybeer. Met paparazzi die papa tegen flinke betaling verzameld had.
Dat we in onze focus dringend moesten loskomen van onze residentiële leefgroep – de cocon waar àlles gebeurde – was een belangrijk inzicht.
Her-opvoeding, wat een pretentieus opzet was dat.
We gingen met ouders praten, met zussen en broers, soms verspreid over vijf voorzieningen. Trachtten brokken te lijmen die niet te rijmen waren. De krater van het schoolverzuim, om één fatale brok te noemen.
In onze ongevraagde huisbezoeken stuitten we op schrijnende generatie-armoede en verwoestende aanslagen op ziel, geluk, moraliteit, [zelf]vertrouwen.
De loyaliteit van de kinderen aan hun nest, hoe onbestaande tot fnuikend ook, kon absurde vormen aannemen. In de woonst die basisveiligheid moest bieden trok papa zijn penis uit zijn broek om ons het tegendeel te bewijzen van wat de buren beweerden, dat zijn zoon niet ‘van hem’ was.
We zagen incest, peuters die deel uitmaakten van de seks tussen hun ouders, ‘nog niet versleten’ moeders en vaders in een relatie met een vriendje van de dochter of zoon. De mama van een intelligent meisje foeterde op de domme rechter die niet wilde dat haar dochter vanaf haar veertiende vast in de frituur werkte.
De existentiële kwetsingen waren contextueel, later individueel.
Een leefwereld van verschil
‘Dit is geen leven meer. Ik ben mijn vrijheid kwijt’ vertelde mijn voorheen zelfstandige 94-jarige moeder na haar noodzakelijke opname in een WZC. Als meisje vluchtte ze met haar zes broers en bezorgde ouders naar Frankrijk voor een eerdere oorlog te veel.
Moeders indringende belevenis liet bovenal het spoor na van ouders die over haar waakten.
Mijn moeder is nooit tussen haar vier en zestien jaar van de ene naar de andere voorziening versast. Met labels als ‘onbetrouwbaar’, ‘leugenachtig’, ‘egocentrisch’, ‘fundamenteel lui’, ‘lastpost’ of ‘minderbegaafd’ is het moeilijk enige eigenwaarde of een positief zelfbeeld op te bouwen.
Onze jongeren waren 16, geen 94.
‘Dit is geen leven’ dachten wij in hun plaats. Keer op keer ontzegde men hen de kans om zich te verbinden. Alle beloften van volwassen begeleiders, die allemaal in hun plaats trefzeker hun kernprobleem konden omschrijven, waren waardeloos.
Door als hechte begeleidersequipe onze taak beter te beheersen, werden we fan van onze leefgroep.
Het dagelijks leren samenleven. Het impliciete therapeutische effect van het oplossen van een ogenschijnlijk banale ruzie over de afwas. Wij konden onze jongeren terug laten thuiskomen – niet thuis thuis, natuurlijk -. We konden stellen dat ze het in kwade dagen met ons zouden moeten blijven doen.
Het ging er soms hard aan toe maar we gingen wel met elkaar verder. Moeder en vader hadden dat ook gedaan met de eigenzinnige zoon die ik was. Ouders vochten voor hun jongen. ‘Doorverwijzen omwille van groepshygiëne’ kwam niet bij hen op.
Wij, opvoeders, dachten er evenmin aan onze jongeren los te laten na iedere ernstige opstoot of provocatie.
Zo gemakkelijk kwamen ze niet van ons af. We leerden hoe grondig elk ‘dossier’ verschilde.
Weerbaar systeem
Vooral leerden we onbevooroordeeld luisteren zonder vanuit antwoordschema’s te denken. Door elk caritasrestant te weren verdienden we hun respect en wonnen we letterlijk vertrouwen. We handelden en toetsten aan hun reactie wat onze inzet opleverde. In onze hevige en tegenstrijdige belevenissen begon zich een begin van methodische lijn te schetsen. ‘Een weerbaar systeem’ noemde ik het later.
Op basis van zijn jarenlange praktijk was Kok bij ‘Structuur en Affectie’ uitgekomen. Dat herkenden we.
Wilden onze jongeren het in hun eentje redden, waren ze het aan zichzelf verplicht om bijkomende inspanningen te leveren. Bijkomende inspanningen, inderdaad. Tenminste als we ‘volwaardige integratie’ [‘simpel geluk’ was hoog gemikt] beoogden in onze samenleving zoals we haar kenden.
Moeke Medelij was hun grootste vijand. Voor wie achteropgeraakte, was bijbenen een helse opdracht.
In de Tour de France heette zo’n prestatie heroïsch. De helletocht gold net zo voor de begeleider. Op hun hielen zitten leidde tot duchtige spanning. Onze équipe moest tonen welke mentale krachtmeting ze aankon.
In mijn ijver om het belang van Structuur te beschrijven zag ik haast onze evidente Affectie over het hoofd.
Het ging me naar het gemoed als men onze werkwijze als macho, militaristisch of rechtlijnig afschilderde. Manmannen mochten elders pronken en vrouwelijke collega’s deden nachtdienst alleen.
Achter onze leerschool ging maximaal vertrouwen schuil in het potentieel van onze bewoners. Onze leefgroep bood immense ruimte om te ademen. Wat hebben we samen hartelijk gelachen. Hoe intens was ons samenleven bij momenten. Hoe ontroerd zijn we geweest. Hoe authentiek was de stilte bij afscheid.
Tijdens een overlegweekend onder anciens, waren we unaniem akkoord over de zin ‘we zien onze kindjes graag.’ We kregen het amper uitgesproken. Zo hard waren we wel. Weekhardig.
Onze tien keer doorverwezen jongeren bléven bij ons. In de vrijheid van hun ontnomen vrijheid. Een wederzijdse beloning.
Maatschappelijke levensduurte
De tijdsgeest als achteruitschrijdend inzicht keerde zich tegen ons. Realpolitiekers stelden met de glimlach meewarige vragen. ‘Wat leveren jullie inspanningen zoal op?’- ‘Is de kost van een instelling in verhouding tot het rendement?’ -‘Welk percentage onder hen redt het?’ – ‘Is zo’n leefgroep nog van deze tijd?’ – ‘Kwamen kinderen er niet vervreemder uit dan ze er ingestapt waren?’ – ‘Moet men een wedde betalen om te slapen of om op de afwas toe te kijken?’. Het hield niet op. ‘Symptoombestrijding’ was geen optie.
Aan laboratoriumwoorden geen tekort.
Opgeven, sociaal-menselijk niet meer investeren, was voor ons de slechtst denkbare oplossing. Geen enkele groeikans voor onze jongeren mocht onbenut blijven. Als we dat wél deden, wachtte hen als volwassene gevangenis, psychiatrie, hulpverlening, OCMW. Handenvol belastinggeld aan personeel, infrastructuur, eten en onderhoudsgeld. De kost op lange termijn. Ons verweer.
We predikten voor eigen achterhaalde parochie. De curatieve begeleiding gaf een verkeerd signaal.
‘Preventie’ en ‘ambulant’ dreven boven als zaligmakend [‘vermaatschappelijking van zorg’ was nog niet gelanceerd] én kostenbesparend. Een stevig ondersteuningsgesprek en hop op eigen benen terug in de vertrouwde familiale omgeving.
Foto’s van gelukkig ogende jongeren in pleeggezinnen of in de zetel met een begeleider illustreerden dat het zoveel béter kon. Vroegbegeleiding zou ook het randprobleem van onze randjongeren uit de wereld helpen.
‘Voor veel kinderen gaat dit op, niet voor de diep gekwetste belhamels die wij kennen’ riepen we de vertrokken karavaan nog na.
‘Het gesprek’ hadden we afgeleerd. Begeleiders konden het veel beter uitleggen dan hun jonge cliënten of hoorden zichzelf graag zelfbevestigend luisteren.
Eens het gouden ambulante spoor getekend, was er voor latere legislaturen geen houden aan. – ‘Waarom leefgroepen tijdens weekends niet samenvoegen?’
Een trein specialistische diensten zag het gesubsidieerde levenslicht. Ze werkten bij voorkeur tijdens de bureeluren, terwijl de ernstige problemen van gekwetste jongeren zich al eens tussen 22.00u en 06.00u manifesteerden.
Door het – mild voor mijn doen – wat op scherp te stellen wekte ik de onsympathieke indruk dat ik de ambulante voorzieningen liefst met bijtend zuur overgoten zag.
Neen, hoor. Ambulant en residentieel waren even noodzakelijk én complementair. Een politieke centenlogica voedde oppositionele redeneringen en deed afwegingen maken die voor jongeren in nood nefast waren.
Negatief pamperen
Onze omgangsvorm spoorde niet met de ondersteunende opvoedkunde. We ontzegden fundamentele rechten, boden geen positief klimaat.
Kwatongen roddelden tegen ons dat als gekwetste kinderen geen zin hadden om naar school te gaan, Welzijn en Onderwijs een vervangprogramma in petto hadden. Na de rijkswacht-vriend, de mamapapa-vriend, nu ook de opvoeder- en leerkrachtvriend. Allemaal vrienden. Wegens schoolmoe een week samen leuke dingen doen.
Zelfs onze dochter en zonen vonden dit pamperen geen goed idee. In wat men ‘op krachten laten komen’ noemde zag ik verzwakte jongeren verder verzwakken. Attractiepedagogiek noemde ik het veertig jaar geleden, toen ik komaf maakte met wekelijkse busreisjes naar alle mogelijke Belgische bezienswaardigheden. Waarom onze jongeren niet als alle anderen leren omgaan met hun verveling?
Hoe wij ‘positief’ invulden? Onze jongeren met onze hulp een diploma laten halen, bijvoorbeeld. Iets wat ze bij gebrek aan zelfvertrouwen zelf niet voor mogelijk hielden.
Een eerlijk honorerend diploma. Niet een dat positief discrimineerde. Zweet, tranen en ruzies kostte het.
We stelden dat geen enkele werkgever ook maar een seconde dacht aan een gedifferentieerd werkaanbod met gelijk loon. Dat weinig industrietakken erom bekend stonden hun ochtend te beginnen met ‘in welk werk hebben jullie vandaag zin?’ – ‘wat menen jullie vandaag aan te kunnen?’
‘Deeltijds leren’ deed ik oneerbiedig af als ‘deeltijds spijbelen.’ Het benieuwde me hoeveel gemotiveerde werkers het opleverde. Voor mij volstond beroeps-, technisch- en ASO-onderwijs ruimschoots. De school van hun leeftijdsgenoten.
De newspeak van de positieve bekrachtiging veroordeelde hen tot levenslange hulpafhankelijkheid.
Overigens zou men specialistische begeleiders best bereid vinden makke zorgvragers tot aan hun sterfbed te begeleiden. Een kniesoor was het die vroeg of het de overheid menens was met integratie, emancipatie, normalisatie en die de sluipende kost van duurbetaalde hulpverleners onder de aandacht hield.
Het credo ‘celui qui ouvre une porte d’école, ferme une prison’ van Victor Hugo boette voor mij niets aan kracht in. Een school, geen vakantiecentrum.
Evidence based achteraan de wachtlijst geplaatst
Met ons weerbaar systeem van Structuur en Affectie scoorden we volgens externe deskundigen die het niet konden weten methodisch zwak. Subjectief, algemeen en oncontroleerbaar. Ver weg van de minimale aspiraties over een evidence based praxis.
Top-down kregen we Integrale Jeugdhulp opgelegd, een versmelting van academisch-wetenschappelijk, overheids- en managementdenken. Men declameerde een gedifferentieerd ondersteuningsaanbod. Voor elke zorg een toegespitst programma met haalbare doelstellingen en meetbare effecten.
De gedachte om zes kokers eindelijk met elkaar te laten praten, was ik bijzonder genegen. Kind en Gezin, Bijzondere Jeugdbijstand, Geestelijke Gezondheid, Jongeren met een handicap, Algemeen Welzijnswerk, Centra voor leerlingenbegeleiding. Vitale actoren als OCMW, Onderwijs, Kinder- en Jeugdpsychiatrie ontbraken, maar het kon een haalbaar begin vormen.
In dit proces heb ik me even ridderlijk geëngageerd als in kringen gewenteld met de wieken van de windmolens. Veel vergadervolk ontmoet dat het bijzonder slim kon verwoorden en daarin steeds beter geoefend raakte. Mijn consequente gerichtheid op de kansen voor mijn jongeren bij de integrale kijk was in hun midden fout ingezet.
Het concept heette vraaggestuurd. Aan mijn jongeren had niemand een vraag gesteld.
Te vuil gebekt.
Wij deden dat wel. ‘Hoe kunnen we je best helpen, Emmy?’ probeerden we tijdens haar scheldpartij. Met en voor Emmy probeerden we er iets van te maken.
Modulair kamperen
Voor de niet rechtstreeks toegankelijke, zeg maar specialistische, hulp hoorden de voorzieningen zorgmodules te schrijven waarin de hulpvraag van een jongere een passend antwoord zou vinden.
Een multidisciplinair deskundigenpanel zou voortaan beslissen of de jongere in aanmerking kwam voor zo’n module. Daarmee installeerde de jeugdzorg een toegangspoort.
Eindelijk komaf met de rijkswachter die – ongestructureerd en geïmproviseerd – om drie uur ’s nachts aan onze deur stond met een jongere op de dool. Of we niet een bed konden bieden. Wij konden nooit ‘neen’ zeggen en haastten ons de volgende dag naar de jeugdrechter met ons voorstel om ons op eigen risico vast te bijten in die jongere. Dat kon toen nog. Wat een rijkdom aan gedeelde beroepseer en zorg was dat.
De existentiële nood van de jongeren voor ogen, zag ik in Integrale Jeugdhulp een uitgelezen kans om hen bij evidentie vooraan te plaatsen als de hulpverlening op basis van urgentie uitgedeeld zou worden.
Andere gewoonten hield Welzijn er op na.
Met de turf slimme modules van Integrale Jeugdhulp konden noch de jongeren noch wij, begeleiders, een kant uit. Definitiewetenschap was ronduit slecht in het erkennen van individueel verdriet. Men kon etiketten en modules met de nodige collateral damage voor een paar groepen laten functioneren maar niet voor jongeren die total loss verklaard waren.
Mij stond het onbewijsbaar zeker voor ogen wie vast voor de toegangspoort zou kamperen. Niet enkel wegens hun onmoduleerbare vraag. Ze werden voorafgegaan door zoveel beter te objectiveren gerechtigden met een hoge urgentie, een opvallend minder bezwaard dossier en een assertieve lobby.
De lobby voor spijbelende vechters moest nog uitgevonden worden.
Mijn ongewenste jongeren waren er slechter aan toe dan voorheen.
In ‘zorg op maat’ erkende ik een noodzakelijk uitgangspunt. Niet zonder de bijvraag of mijn jongeren ooit zouden toestaan dat men voor hen ‘zorgde.’ Hadden zij ‘zorg’ nodig? Roken ook zij daarin niet het jargon uit de ‘sector’ voor jongeren met een beperking en was dat ‘op hun maat’?
Ook Welzijn kreeg con brio de illusie aangepraat dat centraal databeheer inzicht en overzicht zou opleveren. Voor wat de computer niet begreep [zeer veel], was steeds minder plaats in het welzijnsbeleid. Tandprothesen en hartkleppen optellen was iets anders dan inzicht in humane nood.
Telkens men de computer op Een Mens losliet, lichtte mijn gezond verstand rood op. Men dwong hulpverleners om uitgeschreven sjablonen aan te vinken tot ze pasten. Ook al moest men flarden voorgeschiedenis, zelfbeleving, secundaire verwerking weglaten. ‘Stoornis’ las gemakkelijker dan ‘gedepriveerd’. ‘Stoornis’ kreeg ik moeilijk aangevinkt.
Met hun afgebakende doelen en modules kregen ook voorzieningen meer argumenten om jongeren te weigeren. Ze konden nagalmen wat de criteria hen toelieten. Dit maande aan tot voorzichtigheid.
Het ‘op maat’ van deze opnamepolitiek vond ik veel sterker gedepersonaliseerd dan destijds.
Voor wie dan weer met een budgettair-politieke agenda de Vlaamse cijfers registreerde was de traagheid en onduidelijkheid een gouden zaak.
Hoe minder toegang tot de dure residentiële zorg, hoe beter. ‘De nood is klaarblijkelijk nooit kleiner geweest’ hoorde mijn fantasie een woordvoerder van mijn overheid rapporteren.
Wat baatten hervormingen die degenen met de meest urgente hulpvraag met een vishaak verder van de reddingssloep duwden waar ze naast zwommen? Het cijfer ‘onbehandelbaar’ zou toenemen. Dan veel liever ‘onhandelbaar’ wat mij betreft.
Toezichthouders
De specialistische hulp kreeg hooggekwalificeerde extra-personeelsleden toebedeeld.
Ze gaven advies en leiding. Geen kwaad woord over hun werklust.
Ze pleegden overleg, namen onafgebroken ‘zaken mee’, tekenden handelingsplannen uit, haastten zich door gangen en tikten vierkleurenrapporten uit. Hun registratie kwam tegemoet aan de statistische eisen van hun overheid. Al hun ijver maakte dat stafmedewerkers zich geen vrije minuten konden gunnen voor de jongeren.
Een pensioengerechtigde opvoeder verwoordde het zo: ‘Vroeger zaten we voor een leefgroep van twaalf met vijf begeleiders aan tafel. Nu voor een leefgroep van acht met elf, waarvan zes externe raadgevers.’
De aanwas van middenkaders achter PC’s was algemeen. Toen uitgerekend zij over planlast klaagden, maakte mijn fantasie me een seconde de minister die hen van deze planlast verloste en hen in ruil directe begeleiding van de jongeren opdrong.
Stafmedewerkers evalueerden de begeleiders. Die klaagden op hun beurt over voortdurend toezicht. Ze konden vooral fouten maken. O wee als ze zichzelf teweerstelden tegen verbale of fysieke agressie van jongeren. Het was ongetwijfeld op de verkeerde manier. O wee als ze ‘een kind’ bij de arm van het zwembad naar de cabines brachten. Huilend. Met twee begeleiders nog wel.
Meer o wee als ze even niet opletten en in hedendaagse tijden gefilmd werden en het filmpje viraal – een ziekte op zich – ging.
Op slag waren alle sociaal genoemde media op de hoogte. In zo’n klimaat trainde een begeleider zich in risicoloos zelfbehoud en negeren van de nood van de jongeren.
Zelf heb ik als begeleider niet één keer Goede Raad of Instructies aanvaard van collega’s waarvan ik wist dat ze telkens – uit angst door hen aangesproken of aangevallen te worden – de grootst mogelijke bocht rond mijn jongeren maakten.
Beleid van juiste verhoudingen
In onze krant moest ik het beklag lezen van twee jong-begoede en aardig gefotografeerde ouders. Hun drukke beroepsbezigheden maakten dat ze de opvoeding van hun kinderen niet gemanaged kregen. Ze keken naar de overheid.
Opvoeden als last. Men moest er opkomen. Hoe hadden mijn geliefde en ik – zelf ononderbroken uithuiswerkende ouders – dat opvoeden ooit voor elkaar gekregen? Kon geen ouderwetse tante met gezag die twee klagers even de levieten lezen?
Ondertussen bleven onze jongeren in het ‘hertekende’ hulpverleningslandschap van kast naar grote, vertrouwde, muur lopen. Hun stijl bleef hardnekkig niet compatibel.
Van Integrale Jeugdhulp als overkoepelende, intersectorale structuur was weinig in huis gekomen. De veelkoppige draak werd een koker naast de gevestigde kokers, met eigen geld, procedures en een administrateur-generaal.
Te velde was de koudwatervrees vooral toegenomen. Zelfs voor iets ‘veiligs’ als een 24/24 crisispermanentie stonden weinigen te springen. Die crisispermanentie had Integrale Jeugdhulp met trompetgeschal aangekondigd.
De veel te jonge hulpverleners kregen er voortdurend met razernij te maken. Al of niet dronken of onder andere invloed.
Wat hadden die hulpverleners nu gedacht? Wat hadden ze die mensen op de sociale universiteit over onze jongeren bijgebracht?
De door hun carrière-ouders tijdens de vakantie achtergelaten kindjes maakten meer kans op een ministerieel incentive of een gesubsidieerd proefproject dan onze jongeren.
Tot. Tot. Tot.
Door de band bleef ik beleefd en wist ik me in te houden. Tot de zoveel beter gestroomlijnde hulpverlening er niet in slaagde voor een kind een andere plaats dan de politiecel te vinden.
Tot een jongen in een tentje op de Blaarmeersen stierf of in de winter in een smalle gang naast een centrumbioscoop onder karton moest slapen. Tot de jeugdrechters zeer terecht een publiek alarmbericht schreven. Tot een uitvinder breed gesubsidieerd mocht uitpakken met een theoretisch briljante aanpak.
Tot ik nog maar eens moest lezen dat jongeren met ernstige psychische problemen drie tot vier maanden geduld moesten blijven oefenen voor een afspraak bij een dienst GGZ. Tot een politiekantoor of een aantal begeleidingsdiensten enkel bereikbaar waren van 09.00u tot 17.00u.
Tot ik bij het OCMW vooral het aantal burelen angstwekkend zag toenemen. Tot een aantal CAW eraan dachten hun onthaalfunctie als laagste drempel op te geven. Tot het Sociaal Huis een gezichtsloos gebouw naast andere werd. Tot ik geen daadwerkelijke hulp vond bij een acute dreiging van suïcide, wel expertisecentra.
Tot ook druk bezette verwijzers voor hun cliënt of patiënt op weekbasis drie maal afgemeten van 9.00u tot 12.30 bij een GGZ terecht konden. Tot wie hulp nodig had zich moest gedragen en niet mocht schelden of dreigen.
Tot ik CAW-directies in de weer zag voor nieuwbouwprojecten en een duur communicatiebureau zag inhuren om een financieel medewerker aan te werven.
Tot een minister na een schandaal een paar bijkomende opvangplaatsen – toch wel residentieel-detentiegericht zeker – beloofde.
Dan droomde ik bozig over het menselijke leervermogen en over efficiënte inzet van financiële middelen.
Moedwillige voorzieningen
Een hechte équipe in een open residentiële voorziening met een doordachte methode kan vrijwel iedere jongere met een ernstige sociale deprivatie wezenlijk helpen en een realistisch perspectief op integratie bieden. Het bleef mijn vaste overtuiging.
‘Vijf voorzieningen met een beschermd statuut, een exclusiviteitscontract, een blanco cheque met voorbehoud.’ In mijn jaren van vuur en vlam kwam ik er te onpas mee af.
Hún module: discreet mogen werken, met mogelijkheden tot experiment en afwijking. Zonder vooraf bepaalde uitkomst.
Vrij van departementale kokers die grijszones voedden maar vooral geen eiland. Met een gesitueerde plaats in een globale zienswijze, procedures, samenwerking.
Integrale Jeugdhulp, kortom.
De eigen methode die zo’n voorziening doorheen jaren opgebouwd had, was goud waard. Als de receptuur van trappist. De werking kon heel verschillend zijn. Hier aromatherapie, ginder houthakkershemden, halfweg kadaverdiscipline, verder het werk van de akker, elders met kussens gooien.
Door dit een ‘methode-voorziening’ te noemen, zou ik het mijn overheid te makkelijk gemaakt hebben en zou ik een flinke inconsequentie in mijn redenering toegelaten hebben. Wie dogmatisch het eigen, ware receptenboek bleef toepassen, eindigde in een schimmelkeuken.
‘Gespecialiseerde voorziening’ was een tweede val, want onverzoenbaar met de decategorising die ik bepleitte. De minister hoefde geen nieuwe ‘werkvorm’ te bedenken.
Geen ‘kansenhuis’, ‘Nieuw Begin’, ‘Open Einde’, ‘Aandachtwoning’ met een lintje eromheen. ‘Moedwillige voorzieningen’ vond ik niet slecht. Gewoon onder eigen naam verder werken.
De nood aan een ‘versnelde toegangspoort’ sloot hierbij aan. Als bij euthanasie kon het oordeel van twee tot maximaal drie deskundigen die de urgentie onderschreven misschien wel volstaan.
Toch weer die rijkswachter om drie uur ’s nachts van dertig jaar geleden, de jeugdrechter [bij evidentie], de huisarts, de psychiater, de maatschappelijk werker van een OCMW, een psycholoog in een CGG, een buurtwerker, een intaker in een voorziening. Professionelen met een gezond klinisch oog, zonder scoringstabellen op hun tablet in aanslag.
De jongeren zelf konden die toegangspoort mee bepalen: ‘die mens vertrouw ik’ – ‘die kent mij het beste en weet hoe ik eraan toe ben’ – ‘die mag voor mij beslissen wat voor mij het beste is.’
Bij de overheid zat de schrik voor de eigenmachtige voorziening die geen verantwoording hoefde af te leggen er diep in. Begrijpelijk. In mijn jonge jaren kleurde de meter van de jongerenrechten rood.
De directeur van de voorziening waarin jongeren terecht kwamen bepaalde wat goed voor hen was, al was dat manifest niet goed en werden kinderen onderdrukt.
Dat de overheid het later veel beter wist dan de directeur was vaak kwalijker.
De middenklasse-overheid en het middenklasse-hoger onderwijs kende wat van middenklasse-jongeren. Ze ontwikkelde mens- en milieuvriendelijke concepten, waarvan ze veronderstelde dat die universeel voor Vlaanderen waren. Zo konden een ruime aantal jongeren zelf de hulp kopen die ze nodig achtten.
De kwetsuur bij mijn jongeren maakte hen volgens mij ongeschikt om in te schatten wat hun meest aangepaste begeleiding was. Iemand moest verantwoordelijkheid nemen en kunnen nemen.
In onze aanpak maakten we dat bij opname duidelijk.
‘Wij bepalen de regels,’ zegden we dan. Of ‘wij zijn niet goed in onderhandelen’.
Dit gesprek was deel van onze methode.
De waan van de parlementaire dag
‘Lees jij geen kranten? Kijk jij niet naar het nieuws?’ kreeg ik te horen. ‘Dienen zich geen meer prangende urgenties aan dan die paar zestienjarige amokmakers?’
Oorlog, vluchtelingenstroom, pandemie in de scholen. Zonder de noodzaak te betwijfelen zag ik parlementaire commissies zich hierover beraden.
De jongeren en de jongerenzorg zijn fundamenteel veranderd’ fluisterde men in mijn houten oor. ‘Veel complexer geworden’. ‘Mondiale’ jongeren uit oorlogsgebieden met ernstige gedragsproblemen. Kinderen die geen school kennen en onze taal niet begrijpen.
Met identieke argumenten werden onze jongeren veertig jaar gepasseerd. Telkens gingen anderen voor. Zelfs in de privé-financiering. Een ‘Warmste Week Voor Jonge Delinquenten’ was onverkoopbaar. Tot er een de voorpagina haalde en voor een wake up call zorgde. Profileringsexperts struikelden dan over elkaar.
De schuldige kreeg een voorbeeldige straf. Kinderen troffen zelden schuld, hoeveel tamtam ze ook verkochten. Een samenleving die zestienjarigen kerkerde des te meer.
Nu en Straks
We leven in een hoogintelligente tijd. Achter alle kennis en consideratie binnen het hulpverleningsgild schuilen de beste intenties.
Toen ik de actieve praktijk heb verlaten, wenste ik mijn ontheemde jongeren betere vooruitzichten toe.
In officiële cijfers, colloquia en persconferenties gaat het goed met hen: ‘De jeugdcriminaliteitscijfers zijn het derde jaar op rij gedaald.’
Daarmee moeten ook mijn jongeren het doen. Ze lezen toch ook wat er staat?
Zelf raak ik niet verder dan een status quo. Ondanks de ruime uitbreiding aan personeel en middelen van de laatste jaren binnen Welzijn en Onderwijs. Men blijft overhaast, in paniek, veel te vroeg doorverwijzen en opsluiten.
De poort is meer gesloten dan open. Men stuurt hen zonder ruggengraat het volwassen leven in. Ze zijn de dupe van de toegenomen administratie. Registratie en rapportage veegt hen verhullend, onscherp of averechts onder de mat.
Een jonge begeleider schreef me. ‘Ondanks de digitale winkel en de permanente dreiging van fouten zie ik nog steeds begeleiders en leerkrachten die zich eigenzinnig, gedreven en met een groot hart inzetten.’
Die beslist bemoedigende vaststelling, waaraan jongeren veel te danken hebben, legt voor mij een schaduwzijde bloot: de individuele sociaal geëngageerde uitslovers bestonden vijftig jaar geleden al en zullen zich binnen vijftig jaar nog melden. Hun inzet verguldt een manke totaalstructuur.
De directe omgang met de jongeren, wat sommigen denigrerend als ‘de praktijk’ verpakken, blijft chronisch het meest kwetsbare segment.
De nood aan vakbekwame directe begeleiders – die niet jobhoppen of na twee maanden met een ziektebriefje op hun uitgeblust tandvlees zitten – is immens. Hoewel we weten dat de sleutel in die directe omgang ligt, krijgen we dit collectief niet ordentelijk georganiseerd en gehonoreerd.
Verder dan een plomp afgesteld systeem zijn we niet geraakt. We blijven improviseren.
Het zou grof zijn van ons improviseren een succes te maken.
Het aantal anonieme slachtoffers in de vergeetput van ons falen kennen we liever niet.
Als we op zijn scherpst blijven onthouden dat het om kinderen gaat, is één te veel.
Haro Waden – Willi Huyghe
[Focus Keyphrase: Bijzondere Jeugdhulp – Integrale Jeugdhulp in 2022]
_____________________________________________________________________________________________
3 JUNI 2022:
DE PIJN VAN HET GRAVENSTIJN
Objectieve Berichtgeving
‘Gravensteen staat voor onvermijdelijke conclusie’ krijg ik naar trieste verwachting op 11 mei in een regionaal artikel te lezen.
De schrijvende pers heeft het in haar passende inleiding over ‘de surrealistische trekjes van het steekspel rond het Gravensteen.’ Steekspelen kunnen kermisgewijs al eens rondjes draaien.
Wat is in deze journalistieke analyse aan de orde? De bevoegde schepen Sami Souguir – en met hem zowel de voltallige Gentse meerderheid als de stadsbouwmeester – tonen geen begrip voor het politieke dwarsliggen van Matthias Diependaele, minister van Onroerend Erfgoed. Niet zomaar erfgoedminister. NVA-er, en deel van de oppositie. Althans in Gent, want op Vlaams niveau veerkrachtige vriend van VLD en CD&V.
Volgens de bevoegde schepen mag het gedoe met dwarsliggende adviesraden en agentschappen nu eindelijk een einde nemen. Vooruit met de geit. Op politiek kleinstedelijk niveau is men het immers onroerend eens. Ook Groen is helemaal mee om op zijn Vlaams – het Vlaanderen van de koterijen – een liftkoker tegen de achterwand van het Gravensteen te kleven en op die manier een van de weinige kolonies mussen en mezen in het stadscentrum uit het bestaande parkje te jagen. De koterij noemt men ‘een paviljoentje.’ Zo klinkt het haast milieuvriendelijk. Iets voor kabouters.
De cake rijst iconisch
Het artikel heeft het over ‘de iconische burcht die uit het water rijst’ en illustreert dit met een afbeelding die men enkel vanuit megafoonbootjes en een paar achtertuinen gefotografeerd krijgt. De burcht overstijgt het water. Een vlonder die gedeeltelijk de muren van dit luchtkasteel volgt zou het ‘enige resterende alternatief’ zijn voor de koterij. Het laatste obstakel, zeg maar. Onaanvaardbaar voor onze niet verkozen stadsbouwmeester.
Vorige week nam ik zelf nog wat foto’s vanaf de halte voor tram 1. Midden de troep en de vuilnis van toeristenstad Ghent trachtte een eend te broeden. Waar waren haar gedachten? Richting de ingang liet zich een zielloze strook hoog gras opmerken, waar een kayak zelfstandig aan land gegaan was. Misschien zou ons bestuur voor die zompige plek wel een bescheiden architecturale parel kunnen ontwerpen? Met een ingenieus vlonderliftje voor de smurfen.
Heisa
Voor de goede orde even terug naar de vraag ‘wat was en is werkelijk aan de orde?’ Allerminst een steekspel tussen politieke partijen. Wel: onze democratie van burgers, die hun overheden verantwoording opleggen. Als direct betrokken omwonenden maakten we spontaan ernstig bezwaar tegen het inruilen van ons onschuldig parkje voor een ontvangstbalie, die de schepen doorzichtig-urgent als ‘toegankelijkheid’ trachtte te verkopen. In de vorige legislatuur was ons nog per brief een opwaardering van datzelfde park beloofd. Door schepenen die opnieuw deel uitmaken van de coalitie. Waar waren hun gedachten toen ze broedden? Een opgewaardeerd park is voor ons ook iets anders dan een paar lompe boomstammen en een ligweide voor fastfoodtoeristen maar laat dat een detail zijn.
Zonde van het verstand
Na als ongezellige buurtbewoners twee jaar tegen houten oren gemurmeld te hebben, leek zich eind 2021 een begin van redelijk inzicht af te tekenen. Aangesproken werden we niet maar in weer eens een krantenartikel mocht ik lezen dat de bevoegde schepen ‘het signaal van de bewoners en burgers begrepen had.’ Hij zou het parkje ongemoeid laten en [opnieuw] alternatieven laten uitwerken. Voor ondergetekende senior een heuglijke reden om ’s mans kabinet aan te schrijven.
‘De onnodige bijkomende kost die met nieuwe studies gepaard gaat, kan in mijn persoonlijke zienswijze beter onzichtbaar structureel sociaal [neem armoede] besteed worden, maar alle alternatieven voor het bouwsel zijn béter [er zal ongetwijfeld ook kritiek op te geven zijn]. Als het over herstel van ‘vertrouwen in de politiek en xx/haar/zijn vertegenwoordigers’ [vergeef me de grote woorden] gaat, vormt jouw engagement in deze voor mij een toetssteen’
noteerde ik in januari 2022.
Onze schepen kon er met zoveel persoonlijke ondersteuning weer voor even tegen. Mijn brief vormde enkel een aanvulling bij wat ik in eerdere, diep in de community verborgen, artikels voor DeWereldMorgen over de kwestie al uitvoeriger had betoogd. Onder meer dat de horecavriendelijke toeristenterrassen tot aan de stoeprand in onze stad en de schuin hellende struikelstenen in de directe omgeving van het Gravensteen niet echt rolstoelvriendelijk zijn. Een antwoord is uitgebleven. Tot ik in deze mooie maand mei opnieuw mijn hoofd stoot tegen de toetssteen van zijn engagement.
Dampkap
Buurtbewoners vormen geen officieel orgaan. Hun stem beperkt zich tot deze van de verkiezingen en een schreeuwlelijk pro forma ‘aandacht voor de inbreng en mening van de burger.’ De burger, een abstract wezen.
Het zou ons werkelijk aangenaam verrast hebben dat onze ‘meest dichtbije’ overheid, onze bouwmeester of onze journalisten rekening zouden gehouden hebben met onze terechte en onderbouwde argumenten. Vijf maanden nadat ‘ons signaal begrepen is’ krijgen we evenwel langs de pers om duidelijk gemaakt dat het gesprek tussen grote mensen zich afspeelt tussen partijen, ministers, overheden. Eminente leden van de democratenclub.
Het zijn niet wij, burgers, die de zin ‘verdampen van de traditionele partijen’ bedacht hebben. De desinteresse, het antiklimaat en de vrolijk makende statistieken van De Stemming vinden wel ergens een oorzaak.
Niks
In het slotakkoord van het iconische mei-artikel krijgen we de rekening gepresenteerd. ‘Er gaan ook stemmen [!] op om gewoon niks te doen’ staat er. ‘Maar dat zou alvast financieel pijnlijk zijn. Het betekent dat honderdduizenden euro’s aan architecten en planners voor niks geweest zijn.’ Letterlijk twee keer niks, dus. Eén van die opgaande stemballonnen was de mijne. Met mijn heliumtimbre herhaal ik voor de goede verstaander dat ‘niks doen’ synoniem staat voor ‘dit lelijke bouwsel niet neerpoten tegen de wil van de burgers en het geld veel nuttiger besteden.’ De kost aan architecten en planners zou geen enkele goede huismoeder van buiten de club uitgegeven hebben. De brutale rekensom mist bovendien een paar getallen. De miljoenen euro’s aan het afgekeurde bouwsel, met name. Die kunnen onze bestuurders positief en in hun kenmerkende groenblauwe eensgezindheid investeren in het stevig opgewaardeerd park dat ons beloofd was en in een ernstig te nemen toegankelijkheidsbeleid. ‘Iets’ doen. Zichtbaar, zij het buiten elk spektakel. Minister Demir – ook al oppositie in Gent – zou een miljoenensubsidie [het getal vliegt ons om de oren] in de lade hebben liggen om de toegankelijkheid van het Gravensteen te optimaliseren. Een subsidie die zou verloren gaan als ze niet vóór 2024 zou aangewend zijn. Onze daadkrachtige minister is tegen meer bijen en tijdsdruk bestand. Mits een knelpuntdossier waarvoor men best geen onbetaalbare externe experten aantrekt, zal ze beslist bereid zijn tot een reconversie van haar subsidie in functie van het brede en onderbouwde meerjarenplan voor toegankelijkheid dat de Gentse binnenstad al decennia moet missen. De Gentse bouwmeester mag daar gerust een portie Gravensteen in opnemen. Te beginnen met de omgeving, de inkom en de voetpaden die het in- en uitrollen van de tram kunnen bevorderen. Na aftrek van wat onnodig en ongevraagd is uitgegeven, zal er nog geld over zijn.
HW-WH
_____________________________________________________________________________________________21 OKTOBER 2021:
EEN GRAVENSTEENTJE IN MIJN SCHOEN
De Gravensteenslag, die ja. Om de arm. Onder de mat. In het water. Het gekroonde achterhoedegevecht. Dezelfde treurige nagel. ‘Ligt dat dossierke al niet lang achter ons?’
De door de wol geverfde politicus had het scenario op voorhand uitgetekend en als bewijs in haar kluis bewaard. Mevrouw zou eerst minzaam aankijken tegen de opstand van dubieuze enkelingen en groupuscules in haar glas water. Als deel van de gevestigde overheid zou ze er wat wetmatige procedures tegenoverstellen, zorgen voor enige formele tegenpartij en aansluitend een lange stilte laten volgen. Het ware werk gebeurt immers buiten beeld en in de luwte, wist ze. Voor de door de kiezer flink gesubsidieerde beleidsmaker of vast benoemde ambtenaar is het een klein kunstje om iedere actiegroep van vrijwilligers in de touwen te krijgen. ‘Welke muis heeft Ledeberg nu weer gebaard?’ Tijd heelt niet alle maar toch de meeste wonden. Mensen komen geheugen te kort voor de veelheid die hen omringt. De roep om de dagwaan activeert het collectieve vergeten.
De Gravensteenslag in het gelaat., die ja. Aan het haast komisch voorspelbare slot veegt de stedelijke bouwmeester in alle objectiviteit de alternatieven van tafel om de gemeenteraad en de bevoegde commissies een neurotiserende keuze te offeren waarin de gezaghebber nog twee ontwerpen valabel acht: het oorspronkelijke, veruit meest uitgewerkte, concept [één]. Een willekeurige wilde gedachte die van hem ook nog voor beperkte tijd het licht mag zien [twee].
Meer dan een paar willige lokale journalisten heeft de door haar wol geverfde politicus niet nodig om de zachte toon van de nakende beslissing voortijdig in te zetten. ‘Het mag niet als een triomf klinken. De nadruk blijven leggen op de toe-gan-ke-lijk-heid van het Gravensteen.’ Als bij het nakende overlijden van een publieke figuur, liggen – al zeker bij de bevriende krantenschrijvers – de artikels over definitieve goedkeuring van het bouwsel naast het Gravensteen klaar voor publicatie.
Bouwnoden en stedelijke inkomsten
Eens het Oostvlaamse liberalistische graafschap in haar gebeiteld vooruitgangsoptimisme de rangen sluit, is er geen houden meer aan. Van Gent tot in de fusiestad Oudenaarde weten de bouwbaronieën elkaar te vinden. Ze ontmoeten elkaar in de vele kamers van het BS om constructieve kruisbestuiving voor en achter de schermen te faciliteren.
In politiek Gent heeft de blauwe burcht zich kleurrijk weten te omringen. Een toefje gede-ideologiseerd groen dat voor het hogere coalitiebelang solidair geen punt maakt van een losliggend parkje in de binnenstad. Wat rood in de rand en een christelijke kers boven op de lijmlaag. Alle neuzekens in dezelfde richting. Zelfs de vakbonden maken vandaag deel uit van de meerderheid.
De getaande oppositieleden van de achterbank hebben zich tot Realpolitiker geschoold. Amper drie jaar geleden gooide PVDA – hoe terecht – met bier en frieten naar het ponton van Real Estate op de Graslei. NVA schoot met inhoudelijk scherp op het circulatieplan en bekommerde zich electoraal om de stem van de bevolking. Aan dit soort uitzichtloze avonturen zullen die twee opposanten zich niet meer verbranden. De uitdunnende en wellicht verouderende groep bewoners van de Gentse binnenstad en hun burgerlijke besognes beroeren hun verzetsgeesten niet. De frieten gaan naar het zoveel belangwekkender Arcelor Mittal. Net als voor VLD mag het voor NVA iedere zondag kopen à volonté zijn. De zwerfvuile maar vlot consumerende niet Gentenaars, de multinationale ketens en de horeca zijn er wat blij mee.
Dwingende bouwnood in Gent-Centrum
De goden hebben bepaald dat er ‘op zijn minst’ naast het Gravensteen ‘iets’ moet en zal komen. Het hoort immers bij de verengde daadkrachtige politieke besluitvaardigheid. Vandaag noemt men dat modieus ‘urgentie’. Men moet goed gek zijn om de goden te tarten.
Zodoende komt de bouwmeester uit bij de keuze tussen ‘iets’ en ‘iets anders’. Scylla en Charybdis. Een rodere of nog rodere landelijke begroting. Een miljard meer of minder, maakt het uit? Die stijl.
‘Iets’ dat geen enkele stadsbewoner ooit gevraagd heeft of wenselijk acht. Wel een lid van het college van burgemeester en schepenen dat niet in het centrum woont en er enkel komt vergaderen en shoppen.
‘Iets anders’ dat meer of minder deugt maar dat de stadsbewoner evenmin gevraagd heeft of bedacht als nodig, nuttig, wenselijk, prioritair.
Nieuwe Politieke Cultuur
Tot spijt van wie dit benijdde mocht mijn bijdrage van 18 mei ll. in DWM [https://www.dewereldmorgen.be/graven-van-vlaanderen-in-gent] op behoorlijk wat positieve reactie rekenen. Ook uit de politieke binnenkamer. Het viel evenwel op dat niemand – ik herhaal: niemand – inging op mijn simpel burgeradvies om dit kwalijke project kostenbesparend integraal af te voeren om een deel van deze middelen in te zetten voor de politiek eerder beloofde opwaardering van het bestaande parkje en voor – in een meerderjarenplan – de verbetering van de toegankelijkheid in de omgeving en binnen de muren van het Gravensteen. Voor mijn doen had ik het nochtans ingetogen geformuleerd.
Vanzelfsprekend vond ik niemand bij onze Vivaldieke lokale meerderheid. In de democratie die men hier te lande blijft spelen hoeft deze meerderheid met de burger nog minder rekening te houden dan met de mandatarissen van de minderheid. Na de coalitievorming heeft de burger het tot de volgende verkiezing aan te kijken.
Ook niemand van de politieke oppositie tekende in. Waarom niet? ‘Iets’ kan voor het politieke verstand niet tegenover ‘niets’ staan. De kemel ‘iets’ staat nu eenmaal op de sporen. Met een voltallig parlement of een voltallige gemeenteraad toegeven dat men fouten heeft gemaakt, dat men zich vergist heeft komt in geen enkele politieke handleiding voor. Nochtans getuigt ‘in staat zijn vergissingen toe te geven en op stappen terug te komen’ volgens sommige sociale wetenschappen van hoogwaardige humane kwaliteit.
Veel verder dan contra versus pro reikt de wederzijdse symboolretoriek van onze politiek niet. Liever ‘tegen’ en ‘voor’ tegen elkaar blijven uitspelen dan de gezonde rede te laten spreken en bestuurlijk te erkennen dat de verzamelde direct getroffen buurtbewoners het ‘iets’ een bar slecht idee blijven vinden. Ze waren gewoon gelukkig met het échte toefje groen. Dat bood van nature geen weerwerk, had geen stem in de gemeenteraad en kon nog minder zonder verpinken een overtuiging laten vallen.
‘WEL GROEN. GEEN PAVILJOEN.’ Konden de buurtbewoners het eenvoudiger en duidelijker uitdrukken, beste leden van de voltallige gemeenteraad? Moeilijk is dat toch niet?
Als mijn moeder het in een puberale discussie met mij onterecht niet meer haalde met ‘wat zegt uw gevoel?’, snierde ze ‘gebruik uw verstand.’ Het is de perfecte oproep voor dit kabouterdossier, dat geen referendum waard is.
Vrienden voor het leven
De actievoerders die hun tent opslaan in de kruinen van het – eveneens Gentse – Sterrebos zijn moedig. Ik wens hen en onze samenlevingen toe dat hun toewijding de toekomst mag tekenen. Zelf ben ik te oud geworden om in bomen te klimmen en er te overwinteren. Mijn botten zouden het lentelijke botten van de takken niet meer meemaken. Ik moet het met mijn toetsenbord stellen. Om bijvoorbeeld te herhalen dat men niet met de ene hersenhelft de ontharding aan de burger kan opleggen en met de andere helft een ruim deel van een parkje kan inruilen voor een betonvloer waarop een bouwbaron onder mom van toegankelijkheid een toeristische shop mag optrekken.
Wat zeg je? Dat mijn tekst bol staat van ongepast cynisme, dat dit De Zaak niet ten goede komt? Dat ik daarmee geen vrienden zal maken en te veel Gutmenschen onnodig tegen de haren strijk?
In mijn machteloze beleving behoort mijn taalgebruik tot het vriendelijkste slib van de zoveel cynischer bovenstroom. Houten oren als drijvende boomstammen zo groot.
Willi Huyghe, bewoner Gent-Centrum
Eveneens te lezen bij De Wereld Morgen: https://www.dewereldmorgen.be/community/gravensteentje-in-mijn-schoen
==================================================================================
13 JULI 2021: TOT DE VIERDE MACHT
[FOCUS KEYPHRASE – 3M – ZWIJNDRECHT – PFOS ]
Nu PFOS en Zwijndrecht weer. Het uitgebreide nieuws van de dag. Verrijkt voer voor analyse, bespreking, politiek spel en beschuldiging. Het cynisme van woord tegen woord of bewijskracht tegen bewijskracht. Men zal onderste stenen bovenhalen die er al meer dan vier decennia liggen, kadavers van koeien uit de sloot halen.
Mijn simplistische vraag mag zich bij dit vertoon stellen welke verantwoordelijkheid de pers, als hopelijk nog steeds de vierde macht, in dergelijke dossiers draagt. De pers, die nu vooral het veilige zitje inneemt van aandachtige, kritische toeschouwer. De dioxinecrisis, de hormonenmaffia, Dutroux, Arco, El Kaouakibi. Journalistiek telkens een onuitputtelijke kluif. Post factum. NA vaststelling of bevestiging van de feiten.
Preventieve actie
Laat me een snelle vergelijkende overstap naar de jeugdbescherming maken, het mij meest vertrouwde werkveld. Anticiperen, preventie vormt er de stille werkzame kracht die erger voorkomt.
Nu, dit anticiperen is hoogst oninteressant. Het is een onzichtbare bezigheid en de uitkomst kan alle kanten uitgaan. Pas wanneer een zestienjarige met een mes uithaalt of een achttienjarige winters sterft in een tent, krijgt de jeugdbescherming nieuwswaarde. Zo ook meet men klokkenluiders graag een nestbevuilend tot sensatiebelust imago aan. ‘Lekken’ schaden de goede verhoudingen. Bij de meest degelijke onderzoeksjournalistiek plaatst men gemakkelijk vraagtekens en diskrediteert men. Mits een tijdig stil, deskundig signaal zou men Sihame van haar brokkenparcours hebben kunnen redden. Haar ‘schuldig over de hele lijn’ is evenwel succes verzekerd. Haar aangevers van groot gemeenschapsgeld weten zich te redden. Zij niet. Hoe verging het Karel Van Noppen ook weer? Al zijn vergeefse pogingen om de hormonenhandel aan te klagen bleven onder de radar. Lastige mens. Voor de nieuwsredacties was een moord nodig om de tentakels die hij moedig bestreed te ontrafelen.
Vanop de eerste rij
Het zou me erg verbazen als geen enkele lokale, regionale, landelijke journalist – eventueel via een wetenschapper – in de voorbije decennia niet iets zou hebben weten waaien over 3M in Zwijndrecht of over de tenenkrullende dading tussen 3M en de Vlaamse overheid.
Wat speelt dat die – preventief essentiële – informatie binnenskamers blijft? Wil de journalist ook graag deel blijven uitmaken van degenen die op de hoogte blijven, vooral de banden niet verbreken?
Als burger mag ik vooral geen begrip opbrengen voor die toxische connectie. In een eeuwenlange rij predikers blijf ik de pers aansporen om zich als vierde macht [1] te laten gelden en blijf ik de internationale alliantie van de redelijkheid oproepen om de persvrijheid krachtdadig te vrijwaren en te beschermen. Niet toevallig grijpen autoritaire regimes met beangstigend machtsvertoon in op de pers en op de vrije meningsuiting.
Toegepaste preventieve actie
Specifiek is het me te doen om een vierde macht die tijdig de BRON opspoort, de plek waar het foute arrangement met verregaande maatschappelijke gevolgen voorspelbaar kiemt. Het is een erezaak.
De bekroonde reportage van de mega-stallen in DS beschouw ik als een uitstekend voorbeeld van noodzakelijke exploratie. Al was ook daar het kalf reeds voor een groot deel verdronken. De stallen staan er. De cowboys blijven winnen. Wie heeft de moed hun verworven goed terug te schroeven?
De pers kan zogenaamd enkel ‘duiden’. Wie bepaalt dan hoe het na het duiden verder moet? De retrograde journalistiek leest ‘historisch’ best boeiend maar helpt de burger niet verder.
Die burger roept dan in paniek of vanuit verontwaardiging burgerbewegingen in het leven die nog rijkelijk later komen. Hoe moedig ook, weinige daarvan overleven de langere termijn. Dit vrijwillige activisme put uit. Burgerbewegingen kunnen aanvullend zijn voor de pers. Zolang die zich tenminste als Macht wil en kan handhaven.
Schuldige slachtoffers
Het resultaat van de Zwijndrechtse aan elkaar geklonken omerta’s is beschamend.
Als solidaire medeburger te moeten aanzien hoe vandaag de brave omwonenden, hun gezinnen en kinderen plots verordend krijgen dat ze ‘voor hun gezondheid’ [stel je voor] best geen zelfgekweekte groenten of eieren van hun kippen meer eten. Verordeningen door overheden die zelf aansprakelijk zijn voor de verontreiniging van jaren die de bewoners zo hard treft. Overheden, diensten, regionale actoren, intercommunales, onderzoekscentra die hun betrokkenheid met hun zoveel argumenten zullen afwentelen. Eens te meer. Straks wordt de eierenverordening een verbod, een dwingende maatregel. Uit voorzorg. Hoe vals hier toch weer, het woord. De argeloze bewoners verdienen nazorg, een diep voorovergebogen Japanse verontschuldiging. Nog even en men acht moeders en vaders schuldig aan het koken voor de kinderen met groenten uit eigen tuin.
Civil servant
In het dossier-Zwijndrecht zou hamerende journalistieke vroegdetectie dit zoveelste schandaal hebben kunnen vermijden.
Net als de ambtenaar is de journalist een civil servant. De pers is een cruciale bewaker van de democratie. De democratie als [o.m.] een optelling van bewuste, goed geïnformeerde, verantwoordelijke en betrokken burgers.
WH
[1] Wetenschap en kapitaal als vijfde en zesde macht, maar dit zou me te ver leiden.
______________________________________________________________________________________________
6 MEI 2021 : GRAVEN VAN VLAANDEREN IN GENT
[FOCUS KEYPHRASE: GRAVENSTEEN GENT – SOS GRAVENSTEEN]
Als burger telkens weer energie opwekken voor op voorhand verloren campagnes, telkens weer achter de feiten aanlopen. Een mens maakt er zich belachelijk mee, niet hopeloos. Ik scoor hoog voor die status in mijn euvele pogingen om onze beleidswerkers – al was het maar eventjes – een verboden pedagogische tik uit te delen. Had ik bijvoorbeeld echt gedacht dat Vooruit, na al het geld dat daarin gestoken is en nu ook de pers de naam vlot in de pen neemt, plots opnieuw simpelweg SP zou heten omdat ik dat vind [zie mijn vorige bijdrage voor DWM]?
Wees gerust: niet echt. Eens verkozen en van een stemveilige coalitie verzekerd, rijdt de trein van de bestuurders immers op eigen sporen. Wie houdt hen tegen? De oppositie? Wie wat waar oppositie? Hoeveel zitjes tellen die als het op stemmen aankomt? Resten nog die paar eeuwige klagers als ik die in hun achterhaald middeleeuwse gedachtegoed blijven neuzelen. Die moet men negeren, gewoon in eigen nat wegzetten, als het kan ridiculiseren.
Mijn taal neemt onvoldoende afstand, leest niet voldoende academisch en schrijft allerminst met de positieve saus die de heersende mode me oplegt. Zo slaag ik er bijvoorbeeld maar niet in fantastische woorden te vinden voor de onder ieders ogen toenemende armoede. Wie weet zijn die eeuwige klagers representatief voor de scheefgroei tussen burgers en politiek bedrijf. Dit enkel voor positieve overweging.
POSITIEF BOUWSEL
Acht weken krijgen we dus om op amateuristische basis een helder alternatief te bedenken voor het bouwsel naast het Gravensteen. Neen, correctie. ‘Politiek’ staat het bouwsel zelf niet meer ter discussie, wel krijgen we nog ruimte om alternatieven te suggereren om het Gravensteen meer toegankelijk te maken. Acht volle weken. Deze ‘opening’ krijgen we inhoudelijk geparkeerd onder ‘burgerparticipatie’.
Dat is durven. Wie als burger een beetje met het politieke raderwerk vertrouwd is, gelooft er geen snars van. Niet lang geleden hadden we in die stijl al het onwerkbare Burgerkabinet voor het circulatieplan dat ondertussen voorspelbaar dood en begraven is. Liever Stalin dan het dubbeltongige bedrog van de schijndemocratie en de schijnparticipatie. Machtbestendigende, legitimerende inspraak beweegt zich tussen ergerlijk en kwaadaardig. Ze beschaamt onze democratie.
De Gentse – overheen alle kleuren en gezindheden eensgezinde – coalitie heeft zichzelf en de toeristen het bouwsel cadeau gedaan. Daarmee is eigenlijk alles gezegd. ‘We gaan daar toch niet meer op terugkomen? We moeten Vooruit.’
BRONNENMATERIAAL
Misschien voor de goede orde toch maar beter terug naar de bron en naar de Gentse bewoners. Hoe, waar en waarom is dit nare plan tot stand gekomen? Welke plaats had dit in het bestuursakkoord?
Heel anders dan bij de vroegere parking die nu door de stadshal ingenomen is, waren vrijwel alle mij bekende Gentenaars tevreden met het erg bescheiden stukje groen naast het Gravensteen dat restte in de binnenstad. Het lag er onderkomen bij, deed jarenlang dienst als werfplek voor de aanslepende aanpassingen aan het Gravensteen maar in de vorige legislatuur kregen we formeel beterschap beloofd. Als directe buren nodigde het bestuur ons in 2018 uit om de plannen te beluisteren over de heraanleg van het parkje.
Het mocht voor ons best minder ligweide voor toeristen en meer ‘park’ worden, meer beschutting bieden aan de in onze binnenstad aanwijsbaar bedreigde mussen, mezen en merels. Ook dat was in de plannen van de bevoegde schepen opgenomen: ‘aanplantingen van struiken, heesters en onderbegroeiing op de geschikte plaatsen.’
URGENTIE
Kort na het aantreden van de nieuwe coalitie – met qua continuïteit daarin nochtans een aantal vertrouwde gezichten uit de vorige legislatuur- was het parkje niet langer aan de orde. Iemand van het college van burgemeester en schepenen had ‘een ideetje’ en zag dat graag gerealiseerd met een naamplaat voor de eeuwigheid. ‘Project Time Castle’. Om zoiets te bedenken moet men gestudeerd hebben. Nooit heeft iemand me aangesproken over de urgentie van een onthaalpaviljoen op die plek.
Ik onderstreep: op die plek. Andere omwonenden van het Gravensteen – men zou het over directe betrokkenen kunnen hebben, die niet als een aantal schepenen in de rand van Gent wonen – waren zo te lezen nog meer verrast dan ik. Niet enkel verrast. Ze toonden zich verontwaardigd. Maar hoe kan je wezenlijke verontwaardiging, hoe terecht ook, ooit omzetten in een positieve boodschap?
Het burgerinitiatief SOSGravensteen dat namens de bewoners sprak slaagde er uitstekend in de meest urgente boodschap van het huidige tijdsscharnier te formuleren: aandacht voor groen in de binnenstad. Naast een dam tegen het massatoerisme. SOSGravensteen toont zich in de eerste plaats blijvend een competente, onderbouwende woordvoerder en toezichthouder.
BETONSTOP
Het vervolg aan bestuurlijke kant op het goed gedocumenteerde protest leest als kwalijk voorbeeld van oude politiek. De meerderheid heeft het nu eenmaal voor het zeggen [zie hoger]. Time Castle was beleidsmatig ‘verworven’. De coalitie zou onverkort uitvoeren en verdedigen. Zo’n schoon project. Kwamen de groene schepenen in gewetensnood? Voelden zij zich aangesproken? Allerminst.
Ook in de nieuwe politiek moeten de rangen van de tegenstelling gesloten blijven. Wie de afgemeten eenheid in de coalitie wil bewaren laat de pragmatiek het overnemen van de ideologie en noemt dit ‘gezond verstand’ of ‘politieke realiteit’ [soms iets virtueels op zich]. Groen mocht – goed bekeken – de schepen voor massatoerisme leveren. In DS kregen de groene schepenen Filip en Bram kregen op 15.02 een forum voor hun pleidooi voor […]. Waarvoor eigenlijk? Flirtend met de karikatuur [‘Nee, Doornroosje komt niet in het Gravensteen wonen’] hekelden ze ‘elitair tot archaïsch patrimoniumbeheer’. Gent mocht geen Brugge worden. Humor en zelfrelativering is niet hun sterkste kant. In hun verhulde onderschatting van de culturele bagage van degenen ‘die het niet begrijpen’ toonden ze hun hardnekkig meestervingertje. Hun vergelijking tussen de piramide van het Louvre en het bouwsel vond ik eerder beschamend [‘de piramide werd ooit een wrat op een edel gelaat genoemd’ cit.]. Als onbegrijpende oubol heb ik de piramide altijd innovatief gevonden en zal ik in het bouwsel een grauwe puist blijven zien. Met hun Doornroosje maakten Filip en Bram voor hun achterban impliciet duidelijk dat ook voor hen de discussie gesloten was.
Over het parkje en het behoud van groen in de binnenstad hadden Filip en Bram het uitdrukkelijk niet. Hun stelling was dat ze voor het Gravensteen wilden waken over een authentieke ervaring voor een breed publiek. De pandemische wandeldwang van de voorbije maanden heeft aangetoond dat weinig kan tippen aan de authenticiteit van natuur en van stiltezones. Terwijl hun partij – of toch ook liever een volksbeweging? – zich terecht zorgen maakt over het grondwater, de betonstop bepleit en met de harde lijn komaf maakt met de verharde voortuinen, leveren ze hier beleidsmatig een parkje in voor een stevig met beton gefundeerd ontsiersel waar geen van de bewoners om gevraagd heeft.
TOEGANKELIJK CASTLE
In hoogste nood vormde plots ‘toegankelijkheid’ het hoofdargument. Daar kon toch niemand iets tegen hebben? Mij klonk het cynisch. De personen met een fysieke beperking zouden bij Time Castle de centrale bekommernis vormen? Waarom er niet C19 bijgehaald?
Inzake toegankelijkheid hoort Gent bij de slechtste leerlingen van de welzijnsklas. Een haastig bij elkaar geschreven, kamerbreed aangekondigde toeristische brochure die toegankelijke trajecten voorstelt, doet geen afbreuk aan die vaststelling. Onder mijn vrienden tel ik meerdere rolstoelgebruikers. Met hen in de buurt van het Gravensteen over de afhellende smalle voetpaden vol ongelijke natuurstenen denderen en elders in de binnenstad voorbij de randvullende terrassen van de horecazaken trachten laveren is een bijzonder hachelijke onderneming. Zelfstandig, zonder hulp, proberen ze het zelfs niet meer. Wat vervelend dat meerdere eminente Gentse rolstoelgebruikers, waaronder voormalig directeur monumentenzorg en beheerder van het Gravensteen Geert Van Doorne, genoteerd willen zien dat Gent inzake toegankelijkheid nog een hele reeks prioriteiten te gaan heeft.
Er voor zorgen dat men met de rolstoel – of pakweg met een rollator – zonder wiel- of armbreuk tot aan het Gravensteen geraakt zou volgens hen een hele verbetering opleveren. Als toegankelijkheid ter sprake komt zijn alle aanpassingen binnen de muren – eventueel met beetjes – welkom maar het externe bouwsel is daartoe absoluut geen noodzaak.
AUTHENTIEKE ERVARING
Even terug naar de bekommernissen die ik in andere woorden in de aanzet tot deze bijdrage genoteerd heb. Hoe het politieke bedrijf – meerderheid zowel als oppositie, partijen zonder onderscheid – een besloten club geworden is van ingezetenen met een sterk gelijkend – ook eigen – belang, die de zaken onderling regelen. Een inner circle met door hen zelf geselecteerde gesprekspartners.
Teveel naar mijn zin slagen de decision makers er op die manier in de legitieme bekommernissen van de bewoners die ze mogen vertegenwoordigen naast zich neer te leggen en er even later laatdunkend over te doen. Het vertegenwoordigende aspect, het verkozen zijn, de band met de burger blijft in tal van hun vergaderingen achterwege. Van ons, bewoners, verwacht het bestuur dat we een beetje meegaan met onze tijd.
‘Meegaan met onze tijd’ betekent dan bijvoorbeeld dat we jarenlang de luchtvervuilende vetpartikels te slikken hebben van een toeristisch interessant ribbenrestaurant in een met belastinggeld gesubsidieerd erfgoed. Omdat onze overheid niet goed wil begrijpen waarover we ons druk maken, zien buurtbewoners zich genoodzaakt een rechtszaak aan te spannen. Het zal de toeristen een zorg zijn. Na de foto’s zijn die zo weer weg.
Op de gevel van genoemd ‘ontsloten’ gesubsidieerd erfgoed prijken de graven van Vlaanderen. In wat voor een attractieve tijd leefden die, zeg. De graven van Vlaanderen verdeelden regio’s en steden naar eigen geprivilegieerd inzicht en deden af en toe een kasteel cadeau aan een gravin die men te vriend wilde houden. Onze participatieve burgervriendelijke open democratie van vandaag vormt in die zin een renaissance van die jaren. Vandaag beschikt men over communicatiedeskundigen om de bestuurlijke beslissingen aan de bewoners te verkopen.
ACHT WEKEN, DUS
Ondertussen is ons bestuur erin geslaagd de Gravensteendiscussie op handige wijze te verleggen. Het bouwsel heeft zich als een evidentie in de geesten genesteld. Het levert voor- en tegenstanders op, waardoor die wanconstructie zich als ‘onontkoombaar’ in de collectieve perceptie bekrachtigt.
Behoorlijk versmald is het er nu enkel nog om te doen ‘valabele’ alternatieven voor te leggen die het Gravensteen ‘eventueel’ beter toegankelijk ‘zouden kunnen’ maken dan wat het bouwsel biedt.
Ik herhaal: dit is NIET de discussie ten gronde.
Het volstaat om in de buurt van het Gravensteen te kuieren om te toetsen hoe de meest rechtstreeks betrokken bewoners de ingreep ervaren. De affiches aan tal van ramen van geëngageerde bewoners spreken voor zich. Ondertussen tekenden ruim meer dan 6000 bewoners de petitie van SOSGravensteen met de duidelijke positieve boodschap ‘Geen Paviljoen – Wel Groen’. De lijst waarop honderd prominente Gentenaars van zeer divers pluimage zich tegen het plan uitgesproken hebben maakte op het college geen indruk. Zeg eens, college, wat kunnen de burgers nog méér doen? Wacht even. Onder de immense vlag ‘burgerparticipatie’ kunnen we de gemeenteraad ook nog ‘voor of tegen’ laten stemmen. 1000 handtekeningen volstaan. 1000 maten voor niets. De ‘participerende’ burgers laten zich vernederend opnieuw tot pulp vermalen. Wie nog echt gelooft dat de ‘meerderheid’ anders gaat stemmen dan afgesproken, is wel erg groen achter de oren. Die weet niet dat in onze democratie gemeenteraadsleden van de meerderheid niet geacht worden naar eigen inzicht of geweten te stemmen. Op straffe van uitsluiting van de volgende lijst. Wie de de rode knop intoetst doet dat in opdracht of voor de schone schijn. Na voorafgaand beraad of de meerderheid daarmee niet in het gedrang komt.
SOSGravensteen blijft zich, ook na het achtweken-verdict combattief opstellen. Ze gaan de uitdaging aan. Een zoveelste uitputtingsslag voor deze vrijwilligers. Aan bestuurzijde blijft het hard lachen in de vuist. Zelfs met een denkbeeldige subsidie – die ze overigens met de grootste kracht zouden afwijzen – voor de helft van wat het bestuur met burgerbelasting aan architectenbureaus voor het bouwsel gespendeerd heeft, kan SOSGravensteen in acht weken nooit een voldragen, gedetailleerd ontwerp afleveren.
Voor het bestuur komt het er enkel nog op aan de voorwaarde ‘participatie’ van de oppositie formeel in te vullen. Met die acht weken is daaraan ruim voldaan en is ook de oppositie tevreden. The inner circle.
EEN VEEL TE SIMPEL VOORSTEL
Het hele voorliggende rampenplan afvoeren zou pas een teken zijn dat onze lokale overheid haar vooropgestelde burgerparticipatie ernstig neemt. In mijn simpelheid doe ik het voorstel het parkje groener en stiller te maken dan het nu is zodat ook de mussen, mezen en merels er kunnen nesten. Door af te zien van het bouwsel komt een beperkt maar ook aanzienlijk budget vrij.
We kunnen de betrokken overheden en private partners ervan overtuigen dit budget integraal te investeren in een aantoonbaar meer toegankelijk Gent, waarbij ook gerichte aandacht gaat naar de omgeving en het binnenkader van de burcht.
De sinds jaar en dag onderbenutte oude Vismijn leent zich uitstekend tot een aantrekkelijke onthaalruimte, op rolstoelvriendelijke wandelafstand van het Gravensteen. Een ideetje van een bewoner. Het maakt alle kans niets waard te zijn.
Willi Huyghe, Gent.
_____________________________________________________________________________________________
21 APRIL 2021: TWEEMAAL ONDERUIT
De achterban van de Gentse Vooruit wordt rijkelijk laat wakker. Met een kater die men snel als achterhoedegevecht kan wegzetten.
Vreemd hoe in de beleving en de reactie alles nu gericht blijft op De Vooruit en niet op de bron, nl. de SP, die de naam vlot en mits een financiële compensatie mocht kapen. Met mijn ‘mocht kapen’ hou ik ook de stamboomsocialisten in de raad van bestuur van het huis in Gent tegen het licht.
Wat mij betreft graag snel terug naar die bron.
In tegenstelling tot voor het cultuurcentrum is het zeer mijn vraag en die van de redactie van De Ideale Wereld waarvoor de grote volksbeweging Vooruit in al haar algemeenheden staat.
De ‘A’ van SP.A – bedacht in Antwerpen – wilde ook al ‘vernieuwend’ zijn, new look, modieus, wervend. Tot spijt van de spindoctors in het van zogenaamd belegen socialisme ontdane hoofdkwartier kijken de kiezer en de leden dwars door de oude trucs van de marketing. Ze zoeken de ideologische kern [in het halfzachte modderige midden is sinds lang geen onderscheid meer te vinden] en verwachten geloofwaardige vertegenwoordigers met een politiek en inhoudelijk profiel die hun plaats in de parlementen verdienen. Op daad in overeenstemming met woord groeien partijen en worden andere, als de SP, keer op keer afgestraft. Dat de voorzitter van CD&V het lastiger heeft dan die van de SP om zijn persoonlijke stempel te drukken op wijzigingen in het statuut van de partij, pleit voor de politieke maturiteit van CD&V.
Iets delicaat als een naam en een partijprogramma kan best breed gedragen zijn door de leden, de onderscheiden afdelingen, een oerklassiek zoomend partijcongres. Het zou best kunnen dat de leden ervoor opteren om niet tweemaal te verliezen en een keuze maken voor het meest krachtige symbool. In mijn trage geest is dat zonder enige twijfel het huis van vertrouwen in de Sint-Pietersnieuwstraat. Als niet-partijlid heb ik veel jaren geleden met evenveel gemak de ongeloofwaardige ‘A’ laten vallen als ik vandaag maar één Vooruit zal blijven kennen. Als niet-partijlid suggereerde ik in september van vorig jaar al om het simpelweg bij Socialistische Partij, Socialisten of Sociaal Democraten te houden en die roos toch ook maar te laten staan.
Een politiek profiel mocht, vond ik. ‘Er is zelfs nood aan’ schreef ik. Niet Gent, wel de partij – excuses, volksbeweging – doet er goed aan de naam te herzien. Nu het nog net kan. Als publieke bevestiging dat het de SP menens is met haar omzetten van de ideeën van de brede basis in beleid.
_____________________________________________________________________________________________
28 JANUARI 2021: DING OP MAAT VOOR ALLE MENSEN
De diverse jaaroverzichten hebben de wereldpandemie ruim in woord en beeld gebracht. Indrukken die ik daarbij opgedaan heb vragen om nabeschouwing. Heel even maar zal ik illustratief de te gemakkelijke vergelijking maken met oorlogsomstandigheden.
Bij de grote oorlogen van de twintigste eeuw heb ik me ingeprent dat de bepalende gezichten – helaas ook de gezichten van het kwaad – er hun podium krijgen en dat de slachtoffers anoniem blijven, verdrinken in het aantal.
Propagandafilms speelden een vitale rol in de perceptie voor en na. Heldhaftig defilerende soldaten. Pijprokende generaals boven kaarten gebogen die op een tank gedrapeerd liggen. Een militair geflankeerde eerste minister die met een verrekijker de einder aftuurt.
De talloze maatschappelijk en persoonlijk relevante schaduwzijden van het heldendom krijgen vaak pas decennia later hun corrigerende belichting. Een gedreven historicus, journalist of reportagemaker moet er zich in vastbijten, er een [soms in de eerste plaats voor zichzelf] interessante casus in zien.
Over de huidige onzichtbare infectueuze vijand blijft het opvallend stil in een aanwijsbaar aantal werelddelen. Dat is één vaststelling. Het zou kunnen aantonen hoe essentieel regimes het vinden om de berichtgeving volledig naar hun hand te zetten. Deze werkwijze lijkt opgang te maken. Er is weinig internationaal weerwerk. Een verontrustende ontwikkeling.
Ook in mijn tweede vaststelling staat de berichtgeving centraal. In het oude Europa is deze open en vrij. Hier is geen sprake van ingebonden, geleide of beknotte informatie. Misschien eerder van een tekort aan zelfcensuur.
De helden van de zorg komen ruim aan bod. Hun pakken, handschoenen, gelaatschilden zijn in het collectieve geheugen gebrand.
De beelden van uitputting, de tranen bekrachtigen hun heroïek. Ingezoemd op hun emotie met het fototoestel of in slow motion met de camera, eventueel onderstreept door een gewiekst muziekfragment, is dramatisch effect verzekerd [voor de tijd van de uitzending].
Hoe anders toont men ons de patiënt. In het ziekenhuisbed, op de operatietafel. Volledig herkenbaar. Zo niet halfnaakt of naakt, dan minstens ontluisterend letterlijk in haar of zijn hemd gezet. In rijen in de gang geplaatst, ziek, geschonden, met handen en voeten geketend aan katheters en blauw verpakte helden. In te veel foto’s of montages weet ik me geconfronteerd met ernstige schending van de privacy, van de menselijke waardigheid vooral.
Verdinglichung is het eerste wat samenvattend bij me opkomt. Vlag en lading van het woord en hoe kort ik Marxistisch door de bocht ga laat ik graag aan academici die zich daarin uitleven.
‘Oh, jij bent de biefstuk met doperwten’ was het passende voorbeeld dat Ernest Mandel aanhaalde als het over een bestelling in een druk restaurant ging[1]. Tweehonderd anonieme doodskisten in een sporthal duiden nog sterker. Ieder spoor van menselijk leven is er gewist. Ook het kunstmatige coma vormt een krachtige allegorie. De patiënt aan de machine die de zijden draad regelt.
De beeldcultuur is vandaag machtiger en meer ingrijpend dan ooit. Aan de verschuiving naar een meer schaamteloze portrettering wil ik maar niet wennen. Hoe die vandaag bijvoorbeeld de zorgvrager willoos en afhankelijk voorstelt. Iedere ernstig zieke patiënt, iedere negentigjarige die men letterlijk framed of shoot, is deel van een gezin, een familie. Het omgekeerde van Stalins verheven toepassing ‘één dode is een tragedie, een miljoen doden een cijfer’. Het individuele of kleine leed vereist discretie en dienstbaarheid, geen artsenfeuilleton.
Hoewel de medische deontologie de patiënt centraal plaatst, dringt de topverpleegkundige, topdokter of topviroloog zich hier – al of niet gewild – op de voorgrond. De gemaskerde held, samen met de machine baas over leven en dood van een patiënt met verminderde zelfbeschikking.
Terwijl ondertussen de pandemie het wetenschapsoptimisme aardig blijft uitdagen. De genees- en heelkunde is in de betekenis van het woord, in haar ‘weten’ aangetast. De kunde is aan heel wat gissen, missen en tegenstrijdige interpretatie onderhevig. Het zou tot bescheidenheid moeten aanzetten, ver weg van de media, de fotograaf, de camera.
De Verdinglichung vertaalt zich breder in ‘uit noodzaak’ toegevoegde collectieve verordeningen, vaccinatiecriteria, een in wezen vijandige opdeling tussen besmetters en besmetten [verder verzakelijkt door de anonimiserende maskers], een economische realiteit die mondiale ongelijkheden versterkt en zowel armoede als speculatie- en productierijkdom uitvergroot.
In dit klimaat kunnen interafhankelijkheden licht richting afhankelijkheden afglijden. We liggen met z’n allen aan de sonde van handel, nijverheid en geld. Jonge ondernemers overleven bij gratie van de fondsen die de economiegebonden overheid ter beschikking stelt, niet op basis van hun inventiviteit en werkkracht.
Hoe ondertussen het fundamentele gelijkheidsbeginsel, de humane interactie op basis van gelijkwaardigheid in onze geesten en in ons gemoed evolueert, zou ons zorgen mogen baren.
Willi Huyghe
[1] Mandel en Novack ‘Marxist Theory of Alienation, a merit pamphlet’; vert. E. Vonk. Pathfinder Press, NY; 1970.
EVENEENS GEPUBLICEERD IN ‘DE WERELD MORGEN’.
______________________________________________________________________________
31 JULI 2020: CORONAIRE WEZENSKENMERKEN
‘We maken er in de gegeven omstandigheden het beste van.’ – ‘Er zijn ergere zaken.’ – ‘We doen wat van ons verwacht wordt.’ – Men went aan alles.’ – ‘We houden ons sterk.’ Vanop de afstand die we bewaren gonst het van dit soort rationaliserende gemeenplaatsen. Daarnaast heeft zich een mondiale newspeak en woordenschat ontwikkeld waarin de meest ordinaire vindsels. Ik krijg ze niet uitgesproken, nog minder geschreven. In onze vals positief ingestelde samenleving worden we geacht te blijven lachen. Met deze maal een economische tunnel waaraan maar geen einde komt. Wij, oudjes [soms outjes], hebben al wat generaties beleidsmakers zien passeren sinds een eerste minister ‘licht aan het einde’ tot slogan van algemeen belang verhief. Het vooruitzicht had toen nog enige relevantie.
Vandaag lijkt de burger zich haast te vereenzelvigen met de politieke lijzigheid van het ogenblik. Er is groot en gerechtvaardigd protest zonder perspectief. Opeenvolgend ‘nooit meer oorlog’ zonder enig eensgezind plan van aanpak. Het komt en gaat. Volgens wetten van nieuwswaarde. ‘Hoe heet dat meisje uit Zweden ook weer? Even googlen’. We drijven.
Ons omgaan met de actuele wereldziekte past in die schuit. Het ene dramatische cijfer haast zich om de volgende negatieve voorspelling te verdringen. Het regent toegevoegde experten die elkaar tegenspreken maar elkaar overtreffen in nakende rampen en doembeelden. Terwijl ik mijn oenologisch mondgevoel toepas op het begrip ‘coronaprofilering’, blijf ik me erover verbazen hoe trefzeker de woordvoerders van nationale, provinciale, lokale veiligheidsraden zich tonen over hun beslissingen. Ze staan boven zichzelf. Hun wetenschap kent, net als de natuur en als infecties, weinig mededogen. Dit Weten [=waarheid] laat geen plaats voor, bijvoorbeeld, gerede twijfel of veerkracht. Dat laatste is jargon uit de menswetenschappen. Niet-wetenschap, dus. Frivoliteit van de geest. Aan kunst verwant.
We ondergaan. Met randschade. De [doods]angst en de overlevingsreflexen zitten er stevig in. Blij dat we [ik] nog in leven zijn [ben]. Op een golfbeweging van traan op dag één, lach op dag twee en foute verwachting op dag drie stevenen we af op een collectieve depressie of lokale volksopstanden. In of na het najaar. In juli en augustus lijkt het tallozen gestolen te kunnen worden. Ze zullen en zullen vakantie beleven. Er in alle opzichten eventjes tussenuit. Het na- en vooruitdenken op nul.
Het evenwicht tussen belonen en straffen is een uiterst complexe en delicate opvoedingsvaardigheid. In stijgende lijn krijgen we verbod, verstrenging en onze slechte rapporten gecommuniceerd. Goed voor ons welbevinden is het niet. Het is ook niet correct. Hebben we ons dan niet tot het [relatieve] uiterste ingespannen?
Vorige week barstte een uitermate stabiele vriend zonder aanleiding in tranen uit. ‘Ik raak uitgeput’ zei hij ‘ van het niet meer weten wat mag en niet mag, van alle tegenstrijdigheid aan informatie op zulke korte tijd.’
Niemand van ons kon [of mocht] troosten.
Zo worden we iedere dag meer elkaars vijand. We nemen elkaar waar als wandelende ziektekiemen. Men is [potentieel] besmet of besmetter. Tussenwegen zijn irrelevant. Het applaus en de solidariteit van maart-april liggen al ver achter ons. Vrijwel alle witte vlaggen liggen in de lappenmand of zijn letterlijk gestreken. De bevestiging dat we snel vergeten.
Hoe moet het intermenselijk nu verder? In meerdere opzichten leren we bij aan vermijdingsgedrag. Het aantal maal dat ik mensen in een bocht om me heen zie lopen is niet meer te tellen. Niezen durf ik niet. De sociale controle en zelfcontrole krijgen een behoorlijk negatieve grip.
Teveel iemand die blijft inzetten op het gezonde verstand, ben ik nog steeds geen fanatieke roeper om de meest onverbiddelijke mondmaskerplichten, zeker niet als men die – als nu – zo lokaal, arbitrair, gratuit, divers, inconsequent, subjectief, slecht onderbouwd oplegt. Waarom straat A wel en straat B niet, waarom gemeente C wel en gemeente D niet, mist grond, lijken me verdacht vaak door politici of ambtenaren – waartussen weinig virologen van geboorte of opleiding – met de vinger boven een stadskaart aangewezen. Churchill, Stalin en Roosevelt legden op die objectieve manier ook na-oorlogse landgrenzen vast en vooral hun vereeuwigende foto’s. Meermaals zie ik subjectief als objectief verkocht worden, macht als bekommernis.
Mijn persoonlijke veiligheidsraad verplicht de experten en betrokken politici om met ingang van vrijdagavond 31.07 – 22.00u bij iedere persconferentie en interview een mondmasker te dragen en enkel nog boekdelen met hun ogen te spreken. De afstand tussen interviewer en geïnterviewde dient exact 2,33m te zijn. Microfoons worden op een kleine kraan met zwaaiarm bevestigd en na elke toelichting grondig ontsmet. Zeker bij het ventileren van louter eigen meningen. Het zijn superverspreiders [één van die vindsels – dan toch genoteerd]. Foto’s of afbeeldingen van het gelaat van betrokkenen zonder mondmasker zullen zonder uitzondering leiden tot onmiddellijk publicatieverbod. Dit voor alle nieuwsmedia. Bij overtreding volgt inning ter plaatse van de helft van de wedde. Wat in het rechtse Oostenrijk kan, kan hier zeker.
Het mondmasker egaliseert, anonimiseert. We tonen ons ware gelaat niet meer.
Momenteel zijn onze ogen wat ons nog aan ‘gelaat’ rest. Ondertussen kijken we elkaar ook zelden nog aan, tenzij negatief dwingend [‘Jij moet aan de overkant van de straat zijn, mijnheer’ – ‘Dit is een bushalte, mijnheer, wij dragen daar een mondmasker.’]. ‘Wij’ staat dan voor de goede gelovigen.
Wat mis ik het: een prettige gelaatsexpressie, mensen zien glimlachen, onze geliefden kunnen aanraken. De mimiek voegt noodzakelijke informatie toe aan het feitelijke, op zich vaak brutale of kille ‘woord’. Zo tonen we mededogen, ironie, twijfel, verdriet. Onze ogen zijn heus niet de enige spiegel van onze ziel en van de schoonheid ervan. Als men onze lichtjes in onze pupillen loskoppelt van ons rijk potentieel aan lichaamstaal, aan expressie, worden we hologig.
Onze handen behoren tot de grootste schuldigen, zijn gereduceerd tot kwalijke overbrengers. Vriendschap trachten te betuigen bij een overlijden staat synoniem voor het in gevaar brengen van een andere geliefde. Mijn sociale onhandigheid wordt eindelijk een letterlijke troef.
Peter Piot die – als zeventiger volledig zen – ons zonder verpinken uitlegt dat we het mogen vergeten elkaar in het nieuwe normaal nog ooit een hand te zullen geven. Voor gesloten tactiele wezens als ik is zo’n verdict niet minder dan een vuistslag.
Welke omgangsvorm hebben de experten, naast ‘in de fout gaan’, in gedachten? Welk mensbeeld? Welke genegenheid?
Zouden ze het aandurven de ellebogengroet te institutionaliseren? Ze zouden er de revolutionairen in ‘The Live of Brian’ mee naar de kroon steken. Dergelijke vorm van contact kan toch niemand ernstig nemen? Het is de verbanning van de wereldbevolking naar Absurdistan.
Zullen ze er straks op aandringen strelen en gestreeld worden [die handen – die handen], intimiteit, lichamelijk genieten, zoenen, tederheid, kinderlijk handjeklap bij wet te verbieden?
Handenvrij strelen. Ik heb het geprobeerd. Het lukt niet, ook niet als ik ze grondig boven en onder gewassen heb.
Waar bevindt zich het zoekende, voelende, verbindende, sociale wezen Mens in hun instructies? Dat wezen loopt zo al een beetje verloren in het universum en dreigt nu helemaal iedere vorm van hartelijk noorden kwijt te raken.Op welke open manier [me zoveel liever dan de verdoken versie] mogen onze jonge alverliefden elkaar nog zoeken en vinden? Wordt tongzoenen opnieuw een gevaar, een schande, iets voor de donkere achterkamer?
Dit alles, beste politiek verantwoordelijken, is een heel andere motor dan de draaiende homo economicus.
Onze dagelijkse samenleving van de lage landen heeft geen warmte op overschot. Wat een tegenwicht biedt ons onze Warmste Week, zeg. Op een vaak ontroerende manier exploreren we de immens bindende en steunende kracht van onze generositeit. Tegen alle droogstokken in, die hiermee uit de hoogte gretig hardop ‘goedkoop sentiment’ en ‘volksvertier’ associëren, zal ik deze levensvreugde niet zonder slag of stoot inleveren voor een gesteriliseerd, door angst geregeerd, [zelf]beveiligend bestaan.
De voorgeschreven gedragscodes voor voetballers die in de laatste vijf minuten een winnend doelpunt scoren, benieuwen me.
‘Het elkaar bespringen en op een hoopje liggen mogen die sporters voortaan wel vergeten.’ Door met hun vreugde geen blijf te weten gingen de spelers van bekerwinnaar Antwerp uit de besmette stad Antwerpen onlangs exemplarisch zwaar in de fout. Rode kaart of code?
Wat rest ons straks nog? Schaken met een grijpstok?
In de huidige communicatie lijkt het er op dat precies onze solidariteit – amper twee maanden geleden nog onze gevestigde hoop – de ballast vormt. Een mindere nood die het herstel in de weg staat. Terwijl ikzelf onze zeldzame innigheid als een vitale kracht beschouw. Zou ik alleen staan in mijn grote bezorgdheid om de groeiende miskenning in de communicatie van deze kracht?
Wie, als ik, enige jaren op de teller heeft, herinnert zich als gisteren welke ravage Aids bij onze homosexuele medeburgers [men had het uiterst respectvol over de homogemeenschap, een soort kolonie] aangericht heeft. Ieder sexueel contact vormde een bedreiging. Het leidde ertoe dat een aantal prachtmensen hun lot en dat van anderen op de meest extraverte wijze, vanuit een vitalistische doodsdrift, gingen tarten. Destructie en zelfdestructie.
Het zijn niet enkel ‘hygiëne’, ‘wetenschap’, ‘aangepaste medicatie’ en ‘angst’ die Aids teruggedrongen hebben. Minstens even belangrijk was het aanhouden van vriendschap, van het ontwikkelen van een respectvolle, broze, open omgangscultuur. Intrinsieke positieve krachten.
Als we vandaag een Aids-dreiging meemaken op zoveel grotere schaal, ontbreekt voor mij de hoopgevende levensles die [o.m.] Aids ons heeft bijgebracht.
Voor de slechte en kwaadwillige lezers heb ik me met mijn woordenbraaksel [één van hun mogelijke definities] heel zeker gedoodverfd als een tegenstander van mondmaskers, maatregelen, wetenschap en wetenschappers, politieke kaste, vierverdieners, jaarlijkse vakantie en dertiende maand. Als een negationist van het belang van volksgezondheid.
De lezer met meer zin voor nuance en zelfrelativering zal in de auteur van dit pleidooi een hevige supporter vinden van alle noodzakelijke maatregelen en dus onder meer van mondmaskers waar die zich opdringen. Onder bindende voorwaarde dat voor de opgelegde maatregelen gefundeerde wetenschappelijke evidentie bestaat. Dat op ruimere schaal dan Monaco en ons België en ver weg van ieder politiek [tot persoonlijk] opbod.
In een voetnoot blijf ik er als humanist op hopen dat er in onze levens meer mag zijn dan gezondheid als vertaald naar lijfbehoud, vraag ik dat alle experts en beleidswerkers iedere dag in hun spiegel kijken en zich afvragen wat zin en betekenis geeft aan hun bestaan en op welke manier ze deze waarden in hun instructies een plaats kunnen geven.
Een oproep om onze in bestaande wetten gegoten rechten op ontroering, omhelzen, liefhebben, uiten van vreugde, zoenen, geluk te vrijwaren en daartoe in de gegeven omstandigheden mee de mogelijkheden en voorwaarden te blijven ontwerpen.
Ons welzijn en onze gezondheid hangen er van af.
Willi Huyghe
_____________________________________________________________________________
JULI 2020 : ALLE GOUVERNEURS NOG AAN TOE
Beste heer Leerman,
Beste Wim,
Hoewel jij mij nog minder van haar of pluim kent dan ik jou, ben ik vanuit de massa al geruime tijd bezorgd over jouw welbevinden.
Het zal je maar overkomen. Als piepjonge snaak als eerste van de klas eindigen na een objectief assessment voor het glimmende gouverneurschap in Oost-Vlaanderen, vervolgens twee jaar brutaal in wacht gezet worden voor de functie, zelfs nadat de tweede in de rangorde zich als kandidaat heeft teruggetrokken. Vorige week vrijdag, dan, [via het nieuws?] mocht je verlossend vernemen dat de Vlaamse Regering mevrouw De Cauter aangesteld heeft. Dat het zo zou verlopen had ons denkbeeldig kleinkind van vijf ons al tot vervelens toe lopen bezeuren.
Opnieuw – als een paar andere dossiers – snel geregeld op een sprongetje van de vakantie voor parlement en excellenties. ‘In september is iedereen dat vergeten, zeker als de cijfers aan besmetting alarmerend blijven’ hoor ik de verzamelde beleidskern al of niet hardop denken. ‘Bovendien heeft Carina tegen dan al lang opnieuw bewezen uit welk stevig blauw hout ze gesneden is.
‘Verdienste’ mag dan een relatief begrip zijn en vaak verward met macht, het parlementaire curriculum van Carina is best eerbaar. In tijden waarin het gouverneurschap nog een mooi verguld maar rein politiek presentje betekende aan net niet pensioengerechtigde kwaliteitsvolle politici zou ze een uitgelezen kandidaat geweest zijn. Een vrouw, bovendien. Geheel los van de verdacht riante wedde en dito pensioen zou ze met dit aspect in surplus mijn viriele zegen genoten hebben. Met mevrouw Berx in Antwerpen had CD&V eerder ingezet op een jonger profiel. In essentie was ook die keuze weinig meer dan politics as usual. Wie weet iets met de binnen partijen zo duurbevochten lijstvorming. Omdat ik nog wil slapen heb ik moeten afleren erover na te denken.
In 2013 vertoonde het anders politiek zo stabiele Oost-Vlaanderen een rimpeling op de waterplas. Na het overlijden van mijnheer Denys [waarover geen kwaad woord] waagde NV-A het om plots ‘haar’ gouverneurspost op te eisen. Op grond van politiek overwicht [het zogeheten mandaat van de kiezer]. Was dat even schrikken voor de blauwe burcht in deze regio. Gevestigde partijen vertonen na verloop de hybris zich gebieden toe te eigenen, als een zekerheid te beschouwen. Om VLD ideologisch en qua burgermanifest op eigen terrein te kloppen, wierp NV-A zich toen op als queen bee van de schone handen. Mijnheer Briers – vandaag, kijk eens aan, een gedreven schaduwridder voor CD&V – werd op grond van zijn immense politieke bagage als wit ravenjong voor vijf jaar uit zijn festivalnest geplukt.
Om VLD te beletten zonder enig tegenwicht aan NV-A-gouverneurs hun zetel na vijf jaar onderbreking terug te bezetten, heeft een kerngroep gewiekste geesten in de cenakels in 2018 het assessment uit hun hoed getoverd. We kregen zowaar een open advertentie die geloofwaardigheid moest oproepen. Dat de beste moge zegevieren. De overgrote meerderheid van externen die alle kwaliteiten in huis hadden om de taak tot eenieders grote tevredenheid op te nemen heeft wijselijk van inschrijving afgezien en/of eens hard gelachen. Ethisch gestuwd door NV-A zou het Oost-Vlaanderen van onder meer Daniel, Guy en Karel zich tot lichtend voorbeeld van depolitisering tronen? Laten we wel wezen.
Bij de hoogste benoemingen zou ooit al eens de indruk van veredeld kunstschaatsen kunnen gewekt zijn. Na alle proeven volgt veelal een besluitvormend gesprek met een politiek samengestelde jury. Dat men in die ultieme fase externe kandidaten Q zou durven weren en men voor trouwe kabinetsmedewerkers Y een lucratieve boon zou hebben, kan enkel een lage insinuatie zijn.
Het geheel geschoonde Oost-Vlaanderen vormde het beste bewijs van het tegendeel.
Naar alle verwachting presteerde mevrouw De Cauter uitstekend. Maar jij, mijnheer Leerman, bleek – wel pas na gelekte informatie over de proef – hoger gescoord te hebben. Op die manier doorkruiste je wel bijzonder drastisch het vingers in de neus sentiment bij blauw. En dus kwam jij op een andere wachtlijst terecht dan die bij Welzijn.
Je blijft, zo lees ik, je vertrouwen stellen in de Raad van State. Wat denk je zelf? Eerlijk? Publiekelijk onder ons gezegd?
Zo’n dertig jaar ouder dan jij, kan ik je over de politieke zeden niet buitengewoon geruststellen. De tijden zijn niet echt zo veranderd als een van de talloze vergeten nobelprijswinnaars ons destijds voorzong.
De zelfverklaarde zuiversten onder ons, deze maal aan franstalige kant, hadden er een beschamende vertoning voor over om vlot een niet-jurist in het Grondwettelijk Hof – ‘basiskennis van het luik ‘wet’ vereist’ – binnen te loodsen. Na gegrom bij de voltallige oppositie en zelfs gerede twijfel bij de meerderheid, maakte Ecolo het – met parlementair akkoord – nog bonter. Opnieuw een niet-jurist. Én man én wit. Niet één vrouw, dus, aan de franstalige kant van dit Hof.
Zullen we samen, mijnheer Leerman, even traceren hoe torenhoog de Raad van State boven de politieke netwerken verheven is en zullen we op basis daarvan jouw kansen nog ooit benoemd te raken heroverwegen?
Volgens een paar van mijn criteria moet je het vestimentair tegen Carina afleggen. Jouw dassen zijn me, als die van Donald, te lang. Ze passen ook niet helemaal bij jouw leeftijd. Een leeftijd waaraan men lichtzinnig mateloze ambitie zou kunnen koppelen. Als ik mijn donkerste bril opzet, onthou ik dat psychopaten meermaals uitstekend scoren in assessments en dit vooral veel zegt over die assessments zelf.
Vanop mijn afstand midden de massa lijkt Carina me best aangenaam. Kuitenbijter maar goedlachs in de omgang. Ook al wat getaand door het politieke cynisme van anderen. Toch strijdvaardig gebleven. Ervaring voor een gouverneur is een troef. Die moet kunnen onderhandelen, compomissen sluiten.
Hoe zit dat bij jou? Wat weten jouw medewerkers thuis over jou te vertellen, denk je? Aangename medemens, helemaal uit gelijkwaardigheid opgetrokken? Of toch een haantje? Ondertussen ben je ook, met dank aan de administratieve vereenvoudigingen van onze overheid, niet langer ‘stadssecretaris’ [ambtelijk ten dienste] maar ‘algemeen directeur’. Het oogt meteen beter op de visitekaart. Niet slecht als prille veertiger.
Wie weet hebben trollen jou ondertussen al benaderd met een zoenoffer dat je niet kan weigeren. Een plaats op een lijst? Straks parlementair? En dan gouverneur, op meer gepaste leeftijd? Een afscheidscadeau als alle stormpjes in het landelijke glas water geluwd zijn en de politiek onveranderd blijft wat die tot vandaag is.
Zo’n afscheidscadeau, het zal Walter Zinzen en mij – lastig volk – niet gegund zijn. Walter is nog steeds geen ridder in de Leopoldsorde.
Daarover gaat het hier uiteraard helemaal niet. Mijn smaaktest, mijn persoonlijke tafelplaisanterieën en vulgaire subjectieve interpretaties doen er niet toe [al blijf ik dus wel degelijk de gedachte genegen dat je in de eerste plaats een aimabele medemens bent]. Vat het vooral niet persoonlijk op.
Mijn bezorgdheid overstijgt de ellende die de buffelstampedes jou aandoen.
Keer op keer erger ik me regenboogkleurig als het politieke bedrijf ieder principe zonder verantwoording vergeet. Vooral als men dit principe even voordien uitgesproken heeft in een maatschappelijk exemplarische rol als verkozen parlementair of als minister. Als dociele burgerstemmers houden we toch graag enige indicaties overeind dat de rechtsstaat recht doet geschieden of gewoon recht blijft staan.
Nu heeft het plooien voor Carina NV-A opportunistisch twee gouverneurs opgeleverd. Twee mannen. Minstens één daarvan als gouden uurwerk na een paar jaar parlementaire onzichtbaarheid. Mijnheer Rousseau ook lekker als neofiet in zijn hemd gezet, want twee – in de Oude Cultuur opnieuw twee ‘traditioneel rode’ – regio’s en posten afgenomen.
Daarmee laat de Nieuwe Vlaamse Alliantie door mij optekenen dat hun politieke cultuur in niets verschilt van onze voor en na-oorlogse beleidsomgeving. Geen Nieuw Vlaanderen. Misschien enkel nog Vlaanderen. Welk Vlaanderen dan precies?
Als medeplichtige excellentie van zogeheten andere gezindheden ontsnapt men bij zulke doorzichtige arrangementen inderdaad best via het raam.
Op de Wikipedia-pagina van Carina staat momenteel al ‘vermeende’ uitslag van de selectieproeven. Een pittig detail, dat volgend jaar echt passé is en kan gegomd worden.
Op haar eigen website toont Carina zich haast angstwekkend goed omringd. De Europese blauwe waakgoden blijven – hier toch – opvallend uit beeld, wel twee eerste burgers van het land, een paar ministers en burgemeesters. Ervaring op overschot. Niet gewend niet te bereiken wat hen voor ogen staat. Deze randkwestie ‘gouverneur’ vereiste gewoon hun geduld en een in hun ogen gezonde handelsovereenkomst met NV-A.
Dat jij daar niet tegenop kon en kan, mijnheer Leerman, hebben ze je vrijdag duidelijk gemaakt. Jouw stamboom is niet veel meer dan een ent met pijnscheuten. Kijk eens hoe vriendschappelijk het er op haar website tussen Carina en jouw leeftijdsgenoten aan toegaat. Mathias, Jean-Jacques, Alexander. Zonen en kleinzonen van. Stuk voor stuk als eersten uit het politieke assessment gekomen. Bijgevolg voor hun dertigste hoog op de lijst en van een broodwinning verzekerd in overeenstemming met hun talent en inzet. Een werd door vader genie genoemd nog vóór de geboorte.
Je hebt je naam mee, mijnheer Leerman, om waardevolle lessen aan burgerzin uit deze politieke anekdote te incorporeren.
Vriendelijke groet,
Willi Huyghe
______________________________________________________________________________
17 JULI 2020: VERLOREN VLAAMS AAN FNG
Hoewel mijn geliefde en ik op basis van gezegende leeftijd geacht worden beter te weten, blijken we ieder op eigen wijze niet helemaal van deze materiële wereld. Laat ik het in deze bij mijn geliefde houden. Als mens van wetenschap en microcosmos ontgaat haar bijvoorbeeld de grotere plaat ‘politiek’. Vorige week vrijdagavond wist ze me voor dit laatste segment aangenaam pijnlijk te verrassen. Midden lectuur van een – niet opvallend zichtbaar – krantenartikel over de participatie van overheidsfonds PMV [ParticipatieMaatschappij Vlaanderen Naamloze Vennootschap, dus] in de FNG-ellende vroeg ze zich hardop af hoe het mogelijk is dat voor de zoveelste keer ons belastinggeld in dergelijk project van glinsterend papier, lijm, gemaskerde aandelen en grote jongens/meisjes onder elkaar is kunnen opgaan. ‘In niets anders dan een privé commercieel textielbedrijf.’ Eens te meer met zoveel al te argeloze gezinnen als slachtoffer.
Zelf had ik het ontluisterende artikel [DS – vrijdag 10.07 – p. 11] in de vroege ochtend amper kunnen uitlezen.
Dit is dan het ethisch en deskundig zoveel zuiverder bestuurde, transparante Vlaanderen, dat door degelijk publiek schone handenmanagement nooit een beschamend gat als dat van de federale financiën zou toelaten.
Veel lastiger dan bij de kleinst mogelijke vennootschap met een kruispuntbanknummer is het traceren naar het Who’s Who van PMV als gemeenschapsgefinancierde NV. Men komt op de Graanmarkt terecht en bij een trits vennootschappen, profit en ook social profit. Een burger zou ter plaatse moeten afstappen om na te gaan of die Graanmarkt een simpel bedrijvencentrum is of een huis van ons-kent-onsers. Vrij veel bekende namen in die woonst met meerdere kamers, bestuurders, aandeelhouders. Een paar Belgische kampioenen in bezoldigde mandaten. Onnoemelijk veel geld passeert daar, waaronder een behoorlijke portefeuille publieke middelen.
Mevrouw Gennez en mijnheer Van de Reyde hebben zich parlementair opgewonden. Als FNG straks – haast voorspelbaar – zinkt als gevolg van manifest mismanagement, zinkt onze ruime Vlaamse overheidsinbreng mee. Het zogenaamde ‘hartige woordje’ hierover zou binnenskamers gesproken worden. Met andere woorden: PMV zou haar eigen audit uitvoeren. Mevrouw Gennez vond dat ‘geen geweldig idee.’
Het is zoveel minder dan ‘geen geweldig idee’, mevrouw Gennez. Het is de slechtst mogelijke constructie om het vertrouwen van de mede-verantwoordelijke burger te herwinnen.
Laten we samen even opnieuw de Graanmarkt binnenstappen. Via de grote poort van de website. Kwaliteitsfoto’s van beheerders en – voornamelijk mannelijke – bestuurders die een kwartpagina beslaan. Ronkende CV’s, synoniem voor marktconforme lonen. Uitstraling: hier kan niets misgaan. Ons gemeenschapsgeld is in de beste handen en geesten. Die hanteren de strengste criteria. Vooral als het om risicokapitaal gaat, innovatie, empowerment van de Vlaamse economie. Zo onder meer zal de PMV aan FNG geen cent toeschuiven als die geen ‘stevig onderbouwd businessplan kan voorleggen dat de capaciteit aantoont om huidige en toekomstige schulden terug te betalen.’
Wat blijkt? Het verzamelde groottalent aan [gemandateeerd?] beheer en bestuur van PMV zou wel eens inschattingsfouten kunnen gemaakt hebben, toch roekeloos geld over de toonbank geschoven kunnen hebben. In iedere KMO is het bij gelijkaardige ontwikkelingen spitsroeden lopen voor de betrokken verantwoordelijken, volgt een externe audit, kan ontslag volgen, eist men verontschuldiging. A fortiori wanneer sprake is van wanbeheer.
Bij PMV zou men de zaak graag snel intern afhandelen. Het zou de perfecte illustratie vormen van de duale samenleving en van de cynische vervreemding tussen zogeheten beleidswerkers en de bevolking. De faling van FNG zal medewerkers opnieuw bijzonder direct treffen. ‘Noodzakelijke afvloeiing’ staat bij economen voor een cijfer. Het zou me verbazen als de bestuurders bij PMV financieel enig nadeel zouden ondervinden van diezelfde afvloeiingen bij FNG. Misschien komen er zelfs wat extra-zitpenningen voor extra-vergaderingen of mag een consultancybureau van naam enig bijkomend rekenwerk verrichten. ‘Het mag iets zijn.’
In dit publiek-private kluwen aan machtig geld vormt de burger de grootst mogelijke naamloze niet-vennootschap. Zelfs als onkritische massa hebben we, volop gesteund door feitelijke ervaring, redenen om achterdochtig te blijven of te worden.
Anders dan bij een ruim deel van de bevolking heeft de generale kwaal van de voorbije maanden de parlementaire wedden, zitpenningen, aandeelhoudersbonussen en ambtelijke wedden niet aangetast. Het is ons niet ontgaan. De ongedekte cheque aan federale en Vlaamse C19-geschenken evenmin.
Mevrouw Gennez pleitte ervoor om PMV door [het ‘externe’] ‘Audit Vlaanderen’ te laten doorlichten en door hen de laatste steen te laten omkeren.
We hebben zo nog een paar eerdere laatste stenen richting verjaring en vrijstelling van vervolging te gaan en we hebben moeten leren telkens de vraag achter de vraag te stellen.
Het zou jullie, mevrouw Gennez en mijnheer Van de Reyde, tot eer strekken dat jullie zich in dit dossier als waarachtige verkozenen hebben vastgebeten. Jullie mogen hierop scoren. Dit is publieke belangstelling waard. Mijn flauwe oprisping dat jullie deel zouden kunnen uitmaken van een rein politiek georchestreerde voor- of achterhoede [‘het mogen eens anderen zijn dan de socialisten die bloeden’], zal jullie dan terecht mateloos ergeren.
Meer nog dan naar jullie, richt ik me tot alle onafhankelijke onderzoeksjournalisten. De zomer is de ideale periode om ver vertakte grootte-ordes als PMV te laten ondersneeuwen [ondersneeuwen, jawel]. Als de nieuwsredacties [kranten, tijdschriften] zouden menen hun informatie-opdracht hierover vervuld te hebben door het laten opgaan van een eendagsvlieger, zouden ze medeplichtig zijn. Wie onze broze democratie genegen blijft, zet deze zaak van algemeen belang tijdens de zomer naast het grondwaterpeil of de sage van de koningenkwestie. Connecties, namen, constructies, subsidies, besluitvorming, procedures. Feitelijk.
Wie onze broze democratie genegen blijft, drijft PMV dwars door de mist van de tweede golf richting Winter. Als die dit jaar – bij ’s lands jaarrekening, bijvoorbeeld – al niet eerder Komt.
WH
______________________________________________________________________________
15 MEI 2020 : PERVERSE EFFECTEN
In een doe-het-zelfzaak:
[Roepend] ‘Hé, mijnheer, wil je alstublieft jouw kar blijven vasthouden?’
Bij een tuincentrum [we zijn met z’n tweeën]:
‘Ik zeg jullie nu al: jullie zullen moeten kiezen. Ik laat maar één van jullie beiden binnen.’
In een doe-het-zelfzaak, waar ik enkel op zoek ben naar een drukknopje om te vervangen in een staande lamp. Omvang: 1cm x 1,5 cm:
‘Het spijt me, mijnheer, maar zonder kar zal ik je niet toelaten.’
Op wandel in onze buurt, vrijdag ll. [niet maandag 11 mei] – een passant:
‘Kan je niet lezen wat op het voetpad staat? Je mag hier niet stappen. Je moet naar de overkant.’
Een mondmasker in winkelcentrum is alsnog niet bij bijzondere volmacht verplicht. Wie het, met verdere inachtneming van alle afspraken, waagt er in de volgende weken zonder mondmasker binnen te stappen, maakt kans als leproos behandeld te worden.
Ondanks alle arbitrariteit en inconsequentie kunnen beleidswerkers en zaakvoerders blijven rekenen op het gezonde verstand van de burgers. De logica achter meerdere maatregelen wijst zichzelf uit. Een beperkt aantal winkelkarren laat toe de instroom aan klanten en de ‘desinfectering’ van de karren te beheersen.
De C19-maatregelen wekken bij sommigen evenwel hun meest dreigende vorm van sociale controle. Ze stijgen onder zichzelf uit. Ze doen dit graag en al doende leren ze. Ooit dienstvaardige medewerkers weten ze zich aangemoedigd in hun politionele assertiviteit, meten ze zichzelf [privé-]militaire bevoegdheid aan.
In een vrijgevochten, ongelikte stijl die niet in verhouding staat tot de beschaafde loyaliteit die de wachtenden blijven betonen.
Dit soort machtswillekeur kenden we tot nu vooral van loketten en burgeroorlogen.
Het fenomeen deint uit, krijgt en benut groeikansen.
______________________________________________________________________________
MAART 2020: 1+ [1+1] = 3,141592. EEN VIRALE SOM.
In onze dagelijkse lectuur beklemtoont men zowel de hypernoodzaak om thuis te blijven als het belang van beweging buitenshuis, laat men Jan Jambon oproepen om aan het werk te blijven, kondigt men aan dat de piek nog moet komen terwijl jonge ouders getuigen dat de combinatie thuiswerk en permanent thuis verblijvende kinderen hen uitput, beschrijft men het gezonde verstand van een Zweden zonder lockdown, krijgen we bevestigd dat slechts een kleine minderheid zich niet aan de regels houdt. Dag één storten de beurzen in, dag drie pieken ze. Europa heeft geld op overschot, Europa overleeft dit niet.
Deze ononderbroken tegenspraak kan men niemand kwalijk nemen. Wel is het een indicatie. Niemand die echt weet, die met zekerheid mag beweren. Ook niet wie zekerheid orakelt. We schikken en herschikken, we oriënteren en heroriënteren, we laveren tussen krachten.
Dat geldt evenzeer voor onze bestuurders. Veel eerbare maar evenzeer losstaande pogingen. Van federaal tot lokaal.
Ergens tussen gerechtvaardigde paniek en angstreductie. Eenduidig zijn de ordewoorden van onze overheid niet en kunnen ze niet zijn. Wat een onoverzichtelijke ellende ook. Ook zij moeten het doen zonder sluitend wetenschappelijk besluit en dus met een paar kapstokken. Ieder criterium roept nieuwe vragen, afbakeningen, subcriteria en sectorspecifieke noodmaatregelen of correcties op.
Niet echt de meest onbekommerde vogel in de kooi, blijft ondergetekende hoogst bezorgd over de landelijke budgettaire ramp en het aantal onverdiende falingen bij tal van hardwerkende [vooral jonge, startende] zelfstandigen die binnen zes maanden tot een jaar politiek verhuld zullen worden. Nu evenwel moeten we deze collectieve gezondheidscrisis samen door. Dan zien we wel weer.
Onze bestuurders kunnen op veel krediet rekenen. Op ongeziene wijze tonen de burgers momenteel hun solidariteit, kracht, constructieve ingesteldheid en zin voor [zelf]discipline.
Moeder woont nog steeds zelfstandig en internetloos. Vorige week verjaarde ze. 92.
Met respect voor de ordewoorden hebben we met z’n allen op afstand onze uiterste best gedaan om bij onze broze [overgroot]moeder een fractie op te roepen van wat anderhalve maand geleden nog simpel geluk heette. Wij, één van duizenden families in gelijkende situaties dezelfde dag. Vrolijk werden we er niet van, maar we doen ons deel. Bij evidentie.
Dit heersende klimaat van ondersteuning rijmt op geen enkele manier met het parallelle overtal aan boodschappen – eveneens overheidsgestuurd – dat strenge sanctie bij overtreding voorhoudt. Geen vriendelijke vermaning, niet samen zoeken naar een oplossing, niet beperkt tot moederlijk of vaderlijk gezag. Er staan meteen boete-getallen op. Niet de minste. Onvoorspelbaar fluctuerend tussen meerdere honderd- en duizendtallen. Dit creëert een klimaat waarin iedereen potentieel schuldig of verdacht is, tot zij of hij het onmogelijke tegendeel bewijst.
Echt problematisch wordt het wanneer de contouren voor dit strafbeleid niet anders dan vaag kunnen blijven en de toevallige gezagshandhaver ondertussen de maat van de sanctionering mag bepalen. De ‘noodzakelijke verplaatsing’ kan als typevoorbeeld gelden. Ergens moet wel een definitie te vinden zijn die billijk is [wie een echt wettelijke bepaling nastreeft, zal nog even geduld moeten oefenen]. Of een aantal criteria. Dan nog staat centraal hoe ‘lerend’ onze overheid met zulke – in wezen arbitraire – definities omgaat. Tenminste voor zover onze overheid in de penalisering geen noodzakelijke bron van inkomsten ziet. Misschien noodzakelijk maar ronduit kwalijk.
De jogger of fietser die zich vijf kilometer van haar of zijn woonst bevindt als semi-crimineel aanspreken, lijkt me echt wel het verkeerde signaal. Ze lijken me niet de eerste koeriers van de besmetting.
Het op zich geldige principe ‘iedereen gelijk voor de wet’ keert zich al eens selectief tegen de meest inschikkelijke burgers.
Ze laten zich het snelst intimideren en zullen de boete [kunnen] betalen die men hen oplegt. Maar is het werkelijk die groep makkelijke slachtoffers die hier ‘geresponsabiliseerd’ moet worden? Zeker in de gedachte dat het diezelfde jogger of fietser is die momenteel drager is van het aanmoedigende klimaat, die ’s avonds viraal blijft applaudisseren en grappige filmpjes instuurt.
Onze Gentse burgemeester moest persoonlijk tussenkomen om te vermijden dat de volkstuinen in Gentbrugge tot verboden terrein zouden afgebakend worden voor de zorgzame groentekwekers. ‘Vanaf morgen’ – ‘Overtreders zouden geverbaliseerd worden.’
Hoe doortrokken van willekeur ook, deze aanpak ligt helemaal in de lijn van ‘streng optreden tegen wie zich niet aan de verordeningen inzake de noodzakelijke verplaatsing houdt.’
De arbitraire macht aan deze zijde wekt weerstand en triviale oprispingen aan gene zijde. Staan inspecteurs boven de infectie, zijn zij er immuun voor? Hoe is het met de sociale distantie gesteld in een combi met twee tot vier? Wordt het stuur dagelijks gedesinfecteerd? Respecteren de agenten de voorgeschreven afstand als ze bestuurders aan het raampje van hun wagen berispen? In welke mate kunnen ze burgers besmetten tijdens een interventie?
En: horen deze oprispingen thuis in een niet zo geïnspireerde eindejaarsshow of vallen ze onder wetenschap en instructie?
In de ‘roep om duidelijkheid’ huist een kiem van repressie die de huidige, kwetsbare goodwill ondermijnt. De Dossinkazerne leert ons tot welke verschrikkelijke gevolgen dat slag volgzaamheid kan leiden [los of niet los van de vaststelling dat zelfs in een op collectieve pijn gebouwd huis van vrede verstandig geachte mensen geen bruggen meer kunnen bouwen]. Rechtlijnige uitvoering van bevelen door politiek plus politie plus ambtenaren, giftig gecombineerd met burgers die hun selectieve tot light collaborerende gezagstrouw willig onderstrepen .
Na Charlie, de aanslagen in Parijs, Nice, Zaventem werden politie en leger tot symbool verheven: behoeders van de veiligheid voor burgers. Een wat vals sentiment van veiligheid, maar iedere illusie helpt soms. Diezelfde politie – en met haar de overheid – mag zich, na de war on terror vooral niet laten verleiden tot een war on citizens. Door een rechtlijnig-culpabiliserende omgangsvorm worden ze direct verantwoordelijk voor een algemeen onveiligheidsgevoel. Voor illustratie volstaat het alle artikels, verklaringen en begeleidende foto’s – en de stoere, viriele stijl van dat alles – over de niet-essentiële verplaatsing naast elkaar te leggen. De directe inning en de avondklok liggen amper één ‘krachtige’ beveiligingsbeslissing van elkaar verwijderd.
De politie hoeft voor mij geenszins de grote vriend te zijn van de burgers. Vijand of bewaker zijn van al wie het goed meent, werkt averechts, dient het algemeen belang niet. Het onafgebroken bestrijden van zichtbare en vooral onzichtbare criminaliteit wel. Een klimaat van vertrouwen in de letterlijke goegemeente en gezond verstand ook.
We hebben elkaars steun te hard nodig om ons tegenover elkaar te laten plaatsen. We zijn eraan herinnerd dat iets als collectieve verantwoordelijkheid behoorlijk levendig is. Het komt erop aan die bijzondere kracht maximaal te ondersteunen, niet te ontmoedigen.
HW
______________________________________________________________________________
BELGIË BOVEN – 7 april 2020
Ooit gidste ik een prominente Australische delegatie door onze instellingen. Australië, een natie met zo’n 23.000.000 inwoners. Als terugkerende opmerking van mijn gasten heb ik ‘much government for such a small country’ onthouden.
Mijn pensioenleeftijd maakt dat ik de opeenvolgende staatshervormingen heb doorgemaakt. Het idee van een gefederaliseerde natie leek me bij aanvang zinvol.
Een meer transparante politiek op rationele gronden – en niet binnen achterkamers van een besloten machtskring – klonk verfrissend. Zelfbestuur, dichter bij de burgers, zou bijdragen tot meer efficiëntie. En ja, zelf het levende tegendeel van een vendelzwaaier, verdienden de te evidente overdrachten van Vlaanderen naar Wallonië een correctie. Dat die overdrachten boven onze brave Vlaamse hoofden doorgedrukt bleven, mocht stilaan een faire oplossing krijgen.
Zeven bevoegdheidsverschuivingen richting meer regionale autonomie verder, wordt zowaar een nieuw belgicisme in me wakker. Voor het hele identiteitsdiscours is intellectueel iets te zeggen, maar krijgt een enggeestige notie als het zich vertaalt in vlaggen en vlaggetjes, burgemeesterjerps, leeuwen en hanen. Wat zou in 2019 zoal de Brusselse identiteit kunnen zijn?
Nu vormt noch die identiteit noch de overdrachten de kern van mijn grote toenemende ongerustheid. De aartsvaders van de regionalistische constructie – generatiegenoten van me, zeg maar – schamen zich postuum voor de creatuur die hun ‘noodzakelijk’ kind van destijds als puber geworden is. Tenoren als Martens, Cools, Dehaene, Van Miert, Schiltz behoorden tot de lichting machtspolitici, die zich nog stevig geruggensteund wisten door ‘hun’ financieel-sociaal-syndicaal-cultureel confirmerende organisaties. Bazen en baasjes onder elkaar. Anderzijds richtten ze hun beslissingen bij evidentie op een midden waar alles samenvloeide, op een erkende centrale autoriteit, een hoger belang. Hun Zwitsers meerstatenmodel paste voor hen perfect op de lange traditie van consensus waarvoor België wel vaker geprezen werd. Ruziën om te blijven overeen komen.
De deelstaten van hun levendige fantasie bestuurden complementair, droegen bij tot het geheel. Dat de ideologie van consensus in de volgende decennia quasi volledig ondergraven zou worden, met een voorlopig dieptepunt vandaag, is nooit bij hen opgekomen.
De anti-politiek wordt op haast populistische wijze in gesitueerde extreme kampen geparkeerd, terwijl die alomtegenwoordig is, in alle richtingen. Het voor- en naoorlogse vijandmodel is in meerdere voorbije verkiezingen, regeringsvormingen én regeringen helemaal terug. NVA en VB hebben van hun regionaal-republikeinse aspiraties een kerngedachte gemaakt.
De ooit exemplarisch unionistische [zeg maar universeel verbindende] PS doet daar ondertussen niet voor onder. Die is tot een reine Waals-Brusselse partij gedevalueerd, een anti-NVA-partij. Weg – ook in kiezers – van het staatsmanschap dat het ooit pretendeerde.
Men zou verwachten dat het begrotingsoverschot in Nederland een schokgolf doorheen de vijf parlementen van ons landje gejaagd zou hebben. Niets wake up call. Als de brand van de dag geen roet in het eten gooit, kabbelen de samenkomsten er routineus verder. Na hun verkiezing zijn alle parlementairen – met zichzelf als vakbond – immers eensgezind opnieuw van remuneratie en bijzonder solide sociale voordelen verzekerd. Een glad bedrijf als een ander met veel hoge woorden, te weinig goede voorbeelden en een geheel volksvreemde logica [ook voor de €11.000.000 van de notoire sociale (zgn. ex-) socialist Moreau, die véél wéét, zal men een uitleg vinden]. Naar een visionaire beleidsdaad tijdens de voorbije en huidige legislaturen blijft het intens zoeken.
Of het zou het verlichte, op praktijk gesteunde, M-decreet moeten zijn.
Het zelfbeveiligende kabbelen over pot en pint draagt er in niet geringe mate toe bij dat onze vertegenwoordigers in onze onderscheiden naties het iedere dag erger maken.
Zich van alle kwaad bewust laken onze deelregeringen de verlieslatende federale overheid terwijl ze met de glimlach hun eigen financiële tekorten minimaliseren.
Met de inkomsten van de al te rechtlijnig en haastig ontmantelde provincies [wel zonder de extra-volksvreemde ‘politieke’ provincieraad af te schaffen] heeft de regering Bourgeois zich financieel net kunnen redden. Even later kijken ook wij, Vlamingen van de sterkste economie in dit land, aan tegen een hoogst eigen negatieve begroting, die we enkel en alleen aan onszelf te danken hebben en die we eindelijk niet meer kunnen afwentelen op het wanbeheer bij andere naties.
‘U weet toch, mijnheer Martens, dat de regionale regeringen onze staatsschuld doen toenemen?’
Door vijf assymmetrische deelregeringen te legitimeren zijn de onderhandelaars ‘namens hun bevolking’ verantwoordelijk voor een nationale ramp. ‘We zweren trouw aan een grondwet die we niet erkennen.’ Let wel: het gaat om assymetrische regeringen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en die willen scoren voor hun ingebeelde achterban. Ingebeeld want intern ook nog eens hopeloos versplinterd. Het gaat om assymetrische regeringen die het niet erg vinden dat er maar geen federale regering komt. Die in hun hybris het benul kwijt zijn van de opdracht een deel-regering te zijn. Een deelregering waarvan verwacht mag worden dat ze een constructieve bijdrage levert tot het geheel, de organisatie van de natie.
‘Het mag niet gezegd worden, mijnheer Martens, maar regionale regeringen die elkaar openlijk bevechten en die de burger in toenemende schulden – zeg maar onvermijdelijke belastingen – steken, zijn niet eens het ergste. De politieke elite is zo ver heen dat de burgers vandaag gegijzeld kunnen worden door personen. Personen, die elkaar lusten of niet lusten. Die ‘geplebisciteerd’ al enige tijd hun publieke vooropstellingen ingeruild hebben voor het spel van macht en tegenmacht. Despotisme en willekeur zijn dan toch niet meer veraf, mijnheer Martens?’
Dat Jan Jambon bij wijze van persoonlijk amusement cultuur op stelten zet en daarna spoorslags mee richting China of Catalonië vertrekt, is illustratief. ‘Vlaanderen en de wereld, toch?’- ‘Een eigen buitenlands beleid’ – ‘Staatsbelang’ – ‘Het grote werk’. ‘De grootste delegatie ooit voor China’. Wat een perfecte illustratie is van onze uiteengevallen natie van toenemende te bewaken evenwichten en van de volksvreemdheid van de politici [en een kruim van bedrijfsleiders], laat men triomfantelijk klinken. Vijfhonderd wantrouwige waakhonden die grommen wanneer een ander scheef blaft. Wat een meute aan ‘too much government’.
Een klein landje, inderdaad, dat zich – nog los van de verzwegen kostprijs voor de belastingplichtige van zo’n massa volk aan plezierreis – op het wereldtoneel klein toont. Klein ook door niet in een eensgezinde groep het vliegtuig terug te nemen als de leiders van hun urgente reisbestemming onder hun ogen een uit nood bezette universiteit gewapenderhand innemen [het zal fake news zijn]. Onze afhankelijkheidseconomie gaat voor. Eenzelfde boodschap aan de studenten in Hong Kong als aan de naiëve klimaatactivisten als aan de Vlaamse cultuursector.
Straks gaat ons land, in het kader van alle denkbare en niet-denkbare congruenties, met vijf ministers van buitenlandse zaken op staatsbezoek. Met excellenties die ten aanzien van hun gastvrouwen/-heren tegen elkaar opblazen om duidelijk te maken wie nu wel – in de feiten of in eigen glorie – de echte eerste eerste eerste minister van dit landje is.
De foto’s in DS van 19.11 – in al hun schoonheid – spreken tot de verbeelding. Eén vice-president voor een natie van 1.380.000.000 inwoners schudt handen van onze vier minister-presidenten. Haantjesgedrag waarbij de slimme decision makers van buitenlandse regeringen en van multinationale ondernemingen – bij herhaling nadrukkelijk levensbelangrijk genoemd voor de regionale tewerkstelling – gratis een concurrentiële uitverkoop cadeau krijgen [‘Vlaanderen doet meer toegevingen dan Wallonië’]. Het zal onze landelijke en regionale economieën nogal doen boomen. Veeleer maken we ons hopeloos belachelijk.
Een doembeeld is het, een krachteloze federale overheid die zich verliest in het voortdurend moeten verzoenen van eigenwijs regionaal getouwtrek, die voortdurend achter de grillen en willen van de regionale heersers aanloopt, die moet trachten onverzoenlijke individuen te doen huwen die hun ontrouw aan elkaar en aan het altaar zelf in de sterren schrijven. ‘Wij gaan de federale put niet vullen’ klinkt het arrogant.
Het is een wij-gevoel dat onderhand nergens meer op slaat. ‘Druk druk om onze eigen regionale put aan onze bevolking uit te leggen.’
Terwijl eensgezinde politieke besluitvorming op het centrale niveau vitaal is om ons uit de negatieve budgettaire en organisatorische spiraal te redden.
Als ik me een Waals en een Vlaams ‘krachtig’ klimaat- of migratiebeleid tracht voor te stellen, neig ik naar cynisme. Waarom niet op neo-provinciaal niveau? Waarom het de afzonderlijke partijen niet zelf laten oplossen? Met een verdeelsleutel. De één een compromisloze linkse aanpak, de ander een compromisloze rechtse aanpak. We kunnen ook opnieuw omwalde ‘sterke steden’ met cijnsrecht aan de poorten invoeren. Wat we als stadstaat doen, doen we beter.
Als de huidige tendens aangehouden blijft wordt de federale overheid de senaat van België. Een liggende, lam geslagen senaat. Wat ik vandaag mis, is ‘bestuur’, is ‘regeren’, is daadwerkelijk staatsvrouw-manschap, aangehouden bewustzijn van de ernst van de situatie, gewoon ernst. Verantwoordelijke figuren met autoriteit en integriteit, die het gekrakeel en de eigen carrière [binnen alle parlementaire bedrijven die België en Europa rijk zijn] overstijgen.
Wil me de brutale veralgemeningen, herhalingen, interpretaties en clichés in deze stelling vergeven. Over betere taal beschik ik niet.
Wat die betere taal betreft was ik ingenomen met de positieve oproep van onze Gentse burgemeester. Dezelfde burgemeester steunde Geert Versnick wel voluit toen die schaamteloos ere-schepen wilde worden. Met gedoogsteun van medebestuurder Groen en een amper symbolische proteststem van de oppositie, inclusief PVDA. Kon Bart Somers [ooit VU, weten we nog] niet gewoon zijn werk in Mechelen afmaken of heeft hij zijn rekening gemaakt en zijn parlementair pensioen berekend?
De verdienstelijke politieke snaak Charles Michel minister van Staat? Elio mag zichzelf blijven overleven en de in tranen uitgetreden Laurette is helemaal terug. In welke mensen geloof jij nog, mijnheer Leterme?
Een tikje jammer dat mijn uitdrukkelijke oproep als burger van dit land – en van de verschillende landerijen daarbinnen – tot heuse democratische besluitvorming met erkenning van de constitutie, veel kans maakt smalend weggezet te worden als anti-politiek, frustratie, naijver of verzuring. Waarom ook niet ‘eenzaamheid’? ‘Simplisme’ zou ook kunnen maar kan ik deels weerleggen. Ooit erfde ik een welzijnsvoorziening met een – door mezelf lang vooraf voorspelde – RSZ-schuld van €1.500.000. Opgebouwd onder veel jaren van inspectie en toeziende overheid. Tien jaar later was onze voorziening schuldenvrij en hadden we voor €1.500.000 noodzakelijke infrastructuurwerken uitgevoerd. Noem het een erezaak. Noem het ordentelijk bestuur.
Tien jaar aangehouden lange termijndenken. Slechts heel weinigen [de harde kern die beter wist] gaven me bij aanvang een schijn van kans op slagen. Populair heb ik me er niet mee gemaakt. Het is me niet in dank afgenomen. Te stroef-principieel om een allemansvriend te zijn. Het was me immers enkel om het overleven van de voorziening te doen. Om een sociaal doel, geloofwaardigheid en tewerkstelling.
Deze anekdote overigens enkel maar als illustratie. Van de zekerheid dat met alle getalenteerde en eindverantwoordelijke hens aan dek onze natie financieel opnieuw levenskrachtig te maken is. Het moet wel nu gebeuren en niet op de rug van de bevolking.
Kom op, peper me in dat de schaal onvergelijkbaar is. ‘Je durft die schamele €1.500.000 toch niet transponeren naar een federale jaarrekening?’ Ik zou niet durven. Enkel voor het exemplarisch meest kleinmenselijke deel, misschien. Numerieke feiten. Dezelfde €1.500.000 als pijnlijke inzet bij onze parlementairen als ze hun maandloon vergelijken met dat van een gemiddelde voetballer [waarom dan geen voetballer geworden?], als klein viervoud van een ministeriële ontslagvergoeding, als minder dan zeven maand leefloon voor een ideologisch gedreven voorbeeldfiguur met een extreme graad van te belonen genialiteit als Moreau.
Het zullen van mijn kant spijkers op parlementair laag water zijn, maar misschien wel mee grond voor de vervelende vaststelling dat ook ons volk van recht en rechtvaardigheid maar blijft morren. We hebben onze volksvertegenwoordigers – zelfs als het dochters of zonen van betreft – via voorgeprogrammeerde lijsten verkozen om het land vooruit te helpen. In ruil verwachten we dat ze hun werk doen. Daar betalen we hen voor. Net als de kolonie overwinterende gele hesjes [‘hoe belachelijk kan je je maken?’ hoor ik een Realpolitiker fluisteren] doen wij dat op ons werk ook. Vaak in ‘uitzonderlijk moeilijke omstandigheden’ waar ‘niets tegenover staat.’
De concrete – niet louter in communicatietechniek uitgepakte – resultaten die onze regeerders bereiken vormen de essentiële verantwoordingsstukken tegenover hun bevolking.
Die bevolking kan het eigenbelang en het opportunisme in de duale samenleving niet lang meer aanzien.
Men mag van mijn schrijfsel maken wat men wil. Meer of minder dan wezenlijke bezorgdheid is het echt niet.
Om mijn punt te maken wil ik best nog wat lager afdalen met de trappen van mijn mallotige analogie.
Tot op het persoonlijke. Voor de goede zaak.
‘Ge kunt maken dat ge overeenkomt’ zei mijn vader zaliger wel vaker tegen ons, kroost.
Een man van bijzonder weinig woorden. We deden ons best omdat hij een man van zijn woord was. Op hem kon men een natie bouwen.
______________________________________________________________________________
DECEMBER 2018
Kort Door De Bocht
In de tweede helft van december zet bij traditie de viool de toon. We maken en krijgen balansen. Terugkerend: de overconsumptie, de koopkracht, de verder dualiserende samenleving, het falende armoedebeleid. Tegenstrijdige analyses in overtal.
In de aanloop naar deze periode anno 2018 zijn daar die lastige hesjes – en helaas hun gewelddadige recuperanten – bijgekomen.
‘Het volk mort, Sire’ – ‘Nu ook de middenklasse’.
Dit volk weet zich gevangen in een democratie van onwrikbare lijst- en kopstemmen.
In die constellatie is een verband denkbaar tussen een falend armoedebeleid, lastige hesjes en een afscheidspremie van €400.000 voor een minister van Welzijn.
Jammer dat opnieuw Welzijn geviseerd wordt, een economie-afhankelijk, ‘residueel’ beleidsdomein. Een gemakkelijk slachtoffer. Wel een symbool- en symptoomdossier. De bittere toon richt zich dan ook niet op een persoon. Al mag men van wie zich onder meer socialist of christen noemt enige bijkomende consideratie verwachten dan van de behartigers van ideologieën die van evenwaardigheid veel minder een bindend thema maken.
Aliënatie heette dat vroeger: parlementairen en ministers die hun meer dan behoorlijke inkomsten uit arbeid bij evidentie vergelijken met CEO’s en miljoenenvoetballers.
Door gelegitimeerd hun eigen vakbond te zijn hebben de – via lijst- en kopstemmen, dus – democratisch verkozenen zich een volstrekt eigen biotoop ontwikkeld. Ze leggen er geen verantwoording meer af tegen wie ze beroepshalve hun achterban noemen. In die eigen biotoop is men niet meer in staat de grootte-orde te begrijpen – zelfs maar te begrijpen – van een gemiddeld maandloon. Of toch wel. In het halfrond. Bij woord. De goed geformuleerde bekommernis. De ethische oproepen zonder gevolg. Het volk staat er bij en heeft ernaar te kijken.
Toch even terug naar Welzijn.
Het is stil bij de vrijwilligers die iedere dag niet gesubsidieerd koken voor hun medemensen in armoede [‘hun inzet is onbetaalbaar’ – dat zal wel].
Het is stil bij de duizenden werkers die het evident zijn gaan vinden dat ze ieder jaar bij hun nachtwerkende bakker met een hoogst onzeker pensioen €30 gaan schooien – ‘voor in het boekje, mevrouw – om zich misschien binnen twee jaar een nieuwe keuken in hun voorziening te kunnen aanschaffen. Ze maken zich, haast van nature, niet zo snel kwaad. Ze steken geen wagens in brand van onschuldigen die zelf die wagen nog verder moeten afbetalen.
Vanuit hun eigen – meermaals als dwaas beoordeelde – inzet zoeken ze naar verklaringen. Ook voor de onsamenhangende brede onrust in de tweede helft van december.
Dit is niet persoonlijk, neen. Dit is structureel. Misschien wel ten gronde.
______________________________________________________________________________
APRIL 2017 – TAAKVERDELING IN HET GEZIN
Neem mezelf als wetenschappelijke studie, als wellicht representatieve casus. Vierenzestig, ondertussen. Vader van een dochter en twee zonen, die ondertussen zelf behoorlijk volwassen zijn.
Als mannelijke levensgezel heb ik tot vandaag ruim mijn huishoudelijk deel opgenomen. Bij evidentie. Als militante feminist geboren, wellicht. En ja, ik ben een perfectionist als het erop aankomt een hemd te strijken.
Veertig jaar kijk ik de steeds terugkerende analyses en beschouwingen over de ouderlijke taakverdeling binnen het gezin met gezond gebrek aan verstand aan.
‘Het tij kan nu ook keren’ laat onderzoeker Jan me in onze krant verfrissend weten.
Jan is jong en dynamisch. Het is hem vergeven.
In tal van gezinnen is het tij reeds decennia gekeerd. In mijn persoonlijke eindbalans als man zou ik graag af willen van de – om welke redenen? – gecultiveerde schuldinductie. Overigens heeft het me meermaals bevreemd dat objectieve studies ter zake [‘die aangewezen hebben dat’] zelden ‘karweien’ opnemen in het pakket ‘huishoudelijke taken’.
Stel nu – louter hypothetisch – dat ‘karweien’ een hoofdzakelijk mannelijke aangelegenheid zou zijn in het gezin, zou deze eenvoudige toevoeging de balans niet meer in evenwicht brengen?
Wel vaker maakt men in een slotparagraaf qua vaderlijke inbreng, lichtjes smalend, melding van hetzij het buitenzetten van de vuilniszakken, hetzij het maaien van het gras. Dit laatste bij voorkeur op een zitmaaier.
In welke wereld leven deze wetenschappelijke auteurs, leeft deze Jan?
Zelf nooit een hamer vastgehouden? Uit ervaring onthoud ik graag dat wanneer ik me in mijn overall hijs om ergens in huis op mijn rug in het stof hoogdringend iets te vervangen, ik dit graag toegewezen krijg bij de beslist nederige, ondankbare taken, waaraan ik bijzonder weinig glans of prestige kan koppelen. Iemand moet het doen.
Het herinnert er me aan dat ik ook mijn vader zaliger, nog eens een generatie eerder, deze bescheiden bijdrage levenslang heb zien opnemen. Zonder morren. Af en toe vloekte hij. Een lek houdt geen rekening met een planning.
Het zou me aangenaam verrassen te mogen lezen dat de vrouw-maninbreng (om het even tot deze relatie te beperken) in een gezin best ook evenwichtig kan verlopen. De reductie tot machtsstrijd en voortdurend te onderhandelen overeenkomst zint me niet. Deze verengde zienswijze staat simpel geluk in de weg. Academici kunnen op verhelderende wijze het dagelijks leven behoorlijk theoretisch maken.
______________________________________________________________________________
APRIL 2014 – KOOPZONDAGEN
Beste medeburger,
Gent behoudt een grote aantrekkingskracht op toeristen en dagbezoekers allerhande. Hierop spelen onze stedelijke bestuurders graag in. Veel volk over de vloer betekent inkomsten en een tevreden middenstand [die maar voor een smaldeel nog bestaat, want voor de grootste hap ingenomen door multinationale ketens].
Het Gentse college heeft er het handje van weg om de attractie nog te verhogen. Hele of halve weekends worden benomen door festivals, stratenlopen, ‘dagen van’, marktjes of kramerijen [standgeld!] in de binnenstad.
De aanhoudende volkstoeloop van passanten die komen en gaan zonder enige binding met of verantwoordelijkheid ten aanzien van deze stad heeft een paar schaduwzijden. Maakte je er al eens een wandeling als al deze passanten letterlijk hun kar gekeerd hebben, onder meer naar
hun nette landelijke gemeente?
Misschien de zo populaire Graslei eens proberen.
De troep is er steeds minder te overzien.
Deze toeristenstad komt amper nog tot rust. Ze wordt voortdurend bezet. Door het brede internetverkeer worden, bijvoorbeeld, de als interessant getipte cafés, restaurants en koffiehuizen binnen de kortste keren ingenomen door schoon internationaal volk.
‘Nergens plaats. Willen we thuis iets drinken?’
Het college vergeet in haar ijverige welwillendheid tegenover derden dat er ook iets bestaat als een stadsbewoner.
Ondertussen zijn de nachtwinkels, koopzondagen, zondagkappers en terrassen tot aan de rand van de straat [men zal zich maar in een rolwagen voortbewegen] voor ons een voldongen feit. Minder rust, meer lawaai, meer half gevulde blikken op de vensterbanken, meer kartonnen recipiënten in alle mogelijke variaties van verfrommeling op de kasseitjes, meer vuilnisbakken die omstreeks de middag al ogen als een onbewaakte stortplaats.
Let wel. De gezelligste stad ter wereld bruist. De verenigde stedelijke communicatiediensten en city-marketeers verdrinken zich in positieve boodschappen.
Gemotoriseerd draaien de medewerkers van Ivago vroegochtendlijke tot nachtelijke dure overuren. Wij trachten er doorheen te slapen.
In de stijl van de tijdsgeest registreert Ivago ook. Met enige trots drukken zij de vuiligheid, achtergelaten voor de bewoners, uit in toegenomen kubieke meters.
Wie krijgt wel de rekening gepresenteerd van de noodzakelijke prijsverhoging van [ondermeer] de huisvuilzakken? De ongemeen tolerante stadsbewoner.
Nu evenwel overweegt een stroming binnen het – noodzakelijk solidaire – bestuur om de koopzondagen te veralgemenen.
Dit gaat in tegen alle elementaire sociaal-maatschappelijke verworvenheden. Zondagsrust – in een ruime betekenis – klinkt vandaag als een achterhaald begrip. Want daartegenover staan immers tewerkstelling(!) en stadskassa(!). De eeuwige ‘harde’ argumenten. Twinkel Twinkel. Consumptie als de motor van ons bestaan.
Het zal je als moeder of vader maar overkomen: met verplicht enthousiasme tewerkgesteld zijn op zondag, terwijl de kinderen bij de grootouders verblijven.
Tweeënvijftig koopzondagen per jaar buitengewone vrolijkheid.
Het is een wanstaltige overweging.
Voor de stadsbewoner zal een ‘sorry-pas’ [het woord alleen al] of een gratis nieuwjaarsdrankje niet volstaan.
Er zijn grenzen.
NIET DOEN.
Afvoeren die gedachte.
______________________________________________________________________________
JULI 2010: BIJ HET GRAF VAN HET PROVINCIAAL WELZIJNSBELEID
In selecte hogere sociale kringen is het bon ton om het over de krampachtige pro domo-pleidooien van de provincies te hebben. Hun achterhoedegevecht. Is de opbrengst van hun gedeeltelijke afschaffing dan al niet in de Vlaamse begroting ingeschreven [en daarmee weer voor even gered]?
De paar aantekeningen in de marge die wij, provinciale werkers, nog maken worden dus snel vervelend gevonden. Alsof we er niet zouden mee hebben leren leven dat het zeker niet – en al zeker niet voor Welzijn – de provincies zijn die de krachtlijnen bepalen.
Toch houden we er aan ze voor de toekomst te noteren.
Net als bij het schrappen van de senaat overweegt men in de besloten kamers van onze staatsorganisatie nog enkel de modaliteiten bij de afbouw.
Een discussie ten gronde over de realisaties en mogelijkheden van de provincies is nooit gevoerd.
Zelf behoor ik tot de oudstrijders. Een late ambtenaar, na twintig jaar werk op het terrein.
Verkleurd door dat soort ervaring, zal ik de kwaliteit van een overheidsbeleid inzake (bijvoorbeeld) Welzijn wel vaker aflezen aan de impact die alle inzet heeft op de plaatselijke organisatie.
En op dat vlak, vind ik, is het parcours dat onze provincie voor Welzijn heeft afgelegd eerbaar.
Eén van onze getuigen uit het werkveld – die getuigen staan niet synoniem voor onze fanclub, neen; ze behoren tot ons kritisch publiek – somt graag voor de sport het aantal Vlaamse ministers voor Welzijn van de voorbije tien jaar op. Een ontstellende rij snelle starters voor een erg korte spurt.
Toch kregen en krijgen de plaatselijke beleidswerkers telkens ronkende intenties voor de lange termijn voorgehouden. Structurele maatregelen.
In eenvoudige vergelijking mogen we ons provinciaal bestuur een toonbeeld van continuïteit noemen.
We doen ons werk. Weinig meer, maar vooral ook weinig minder. Vanuit steeds meer eenheid in visie.
Het is, in deze tijdsgeest van allemaal deskundigen die het voor zichzelf goed weten en verwoorden, een hele verworvenheid.
Jonge collega’s noemen ‘de bovenlokale focus’ een ‘evident uitgangspunt’. In werkelijkheid zijn er veel jaren overgegaan om dat als evident toe te passen.
Laten we ons consequent aan onze provinciale kerntaken houden, hebben we geponeerd. De ballast overboord gooien. Laten we ertoe bijdragen dat de werkvelden en de lokale besturen zelf kunnen scoren.
Daarbij raken we vaak bij ‘processen’ betrokken. Het lijkt wel een anachronisme.
Omdat ‘wat in ontwikkeling is’ niet steeds een aantoonbaar begin en eindpunt kent, bij ogenblikken behoorlijk moeilijk kwantificeerbaar is.
Altijd opnieuw moeten we voor telkens een nieuw geïnteresseerd-kritisch publiek andere woorden zoeken om meerwaarde uit te leggen. Het went nooit echt.
Om een tekenende vergelijking te maken: ik leg niet graag de meerwaarde van mijn vriendschappen uit aan de hand van een telraam. Het doet afbreuk. Aan welzijn, onder meer.
De macro-economen zullen er eens hard mee lachen, maar een beleid vroeger, nu en later st(e)unt voor een groot deel op de magie van de interactie, van de elkaar complementerende en versterkende geesten.
Dit soort ‘Welzijns’ zou geen taal of inzicht meer zijn van deze tijd.
Men kan het ook anders beschouwen: doordat het de macro-economen uitgerekend aan ‘Welzijns’ ontbrak, hebben zij – ééndimensionaal de winst recht voor zich uitrekenend – de halve wereld in een beschamende financiële crisis gestort.
Er zijn weinig aanwijzingen dat deze even kwantificeerbare als onmetelijke spiegel van hun werkelijkheid hen het denigrerende lachen afgeleerd heeft.
Wat ik zo vaak vanop de provinciale zijlijn mag meemaken in een overleg: vertegenwoordigers met zeer verschillende belangen en gezindheden die naderhand zeggen:’mag ik toch even uw gsm-nummer, want wat je vertelde wist ik niet en klinkt bijzonder interessant.’ In onze stiel gaat het dan steeds weer over een verbetering van de dienstverlening in een welzijnsverband.
Hoe geven we dit typisch soort ‘aarzelend begin van een betere samenwerking’ enige bewijskracht voor de ‘provinciale output’?
Door te vragen het aantal GSM-gesprekken over het onderwerp te registreren, inclusief de tijdsbesteding per thema en de daling van de lichaamstemperatuur wanneer gevoelige themata aan de orde zijn?
In onze dagelijkse, ambtelijke stiel heb ik voortdurend competente, gedreven, betrouwbare collega’s mogen ontmoeten. Die hun dienstbaar métier kennen en er voortdurend de grenzen van bewaken. De rijkdom van de begrenzing. Op die specifieke terreinen en échelons die het welzijnsbeleid op provinciaal niveau rijk is. In hun rapporten las ik sobere weergave, nuchtere analyse, beschrijving van activiteit, zelfkritiek. Het is ver zoeken naar het langgerekte verweerschrift dat onze doodgravers graag voor ons invullen op basis van Verhalen, Veronderstellingen, Tendensen en Verwachtingen.
Men zal de provincie – in al haar onvolkomenheid – nog missen.
Het proces van de nu voorliggende alternatieven, die sommigen vandaag zo helder conceptueel voor ogen staan, zal men binnen twintig jaar maken.
De eenheidspolitie heeft ongetwijfeld organisatorische en statistische voordelen, en af en toe een behoorlijk imponerende spektakelwaarde. Tegelijk zijn er de verhalen van nogal wat burgers over een meer administratieve, meer anonieme en vaak van de lokale noden vervreemde macht en zoekt men naar methoden van differentiatie en nabijheid om de toename van de brutale criminaliteit te beperken, de nachtelijke veiligheid te verzekeren, de schaamteloosheid inzake zwerfvuil de baas te kunnen.
Sociaal weefsel is kostbaar goed. Een verantwoordelijk intermediair niveau – dat die verantwoordelijkheid zelf kan dragen, zou – als een stille, voorzichtige, haast onzichtbare bondgenoot – wel eens geen overbodige luxe kunnen zijn.
Horen wij daar een snuif pro domo in de staart?
WH
Eindredacteur
‘Provinciaal Domein Welzijn’