Zeventigers als wij krijgen voortdurend met verlies en afscheid van vertrouwden te maken. Het zou de gang van het menselijke bestaan zijn. We leren er mee verder leven.
De opeenvolgende begrafenissen die ons deel zijn hebben een overtal aan associaties gewekt, indirect en direct aan dit convent verbonden.
In deze te haastig geschreven en weinig geordende bijdrage, geef ik een paar bedenkingen hun vrije loop.
Mens
In de na- [of pre-] oorlogstijdspanne waarin onze jaren van jong naar al te snel veel ouder tikten, noteerden we doorheen onze tijd bij dit definitieve afscheid een toenemende veelkleurigheid. Ook de traditioneel christelijke begrafenis die mijn opvoeding me in mijn jeugd als vanzelfsprekend oplegde, kreeg ik gaandeweg ingeruild voor een minder strakke religieuze regie. Priesters die woorddiensten in hun kerk toelieten, boden de vrienden en familie ruimte om hun waardering voor hun overleden metgezel uit te spreken. In teksten waarin het tedere zoeken centraal stond en minder de bijbelreferentie.
Die – helaas misschien eenmalige – aandacht voor leven, inzicht, werk, betekenis van het overleden mensenkind, zinde mijn zestienjarige zelf bijzonder. De ontwikkeling van het bovenmenselijke naar het humane perspectief, liep parallel met wat ikzelf doormaakte. Het door het doopsel ‘van God’ terug ‘naar God’ bij het levenseinde vond ik een depersonaliserende vorm van recuperatie.
Ritueel
Om vroegkinderlijk bij agnostiek uit te komen en er voor mijn verdere bestaan betrekkelijke rust te vinden, moest ik doorheen een complex proces. Wie bij volle bewustzijn afstand neemt van gevestigde opvoedingswaarden, waaronder geloof, maakt scherven. Dit gevecht kon voor mij maar zin krijgen als het niet enkel om mezelf zou gaan. Voor egocentrisme wilde ik niet moederlijk in de wieg gelegd zijn.
[…]
[DIT ALS AANZET – HET VOLLEDIGE ARTIKEL VIND JE ONDER DE HOOFDING ‘OPINIE’]
Ook gepubliceerd in De Wereld Morgen.